Topweek

nov 2, 2017 Blog post

Er zijn twee soorten mensen waar ik heel blij van kan worden: ict’ers en jazzmuzikanten. Dat heb ik al jaren en tot mijn verwondering is dat hier in Suriname zo doorgegaan. Althans eens in de zoveel tijd, want ze liggen niet voor het oprapen en dat is maar goed ook. Het moet een verrassing blijven. De vorige week was het helemáál top: op maandag werd de ene me in de schoot geworpen en voor de week om was ook nog de andere. Een samenloop van omstandigheden…

(Hoofdstuk I) In het begin van nota bene het weekend liet mijn laptop het plotseling afweten. Wat ik ook probeerde, mijn mail en mijn site, alle zoekplaatsen, de hele rataplan was ondergedoken. Eerst maar  een nachtje slapen – wat heet – en halverwege de zondag toch maar, op goed geluk, contact zoeken met mijn wifileverancier.

Er werd nog opgenomen ook en later zelfs twee keer teruggebeld! Maar ondanks het engelengeduld aan gene zijde – dat me herinnerde aan soortgelijke gesprekken in het verleden – kwam de oorzaak van mijn ongemak niet aan het licht. Ik moest de volgende dag maar langskomen. Hij zou het aan zijn collega’s doorgeven.

De wachtruimte van het bedrijf was om te rillen zo koud, maar de technicus die me na een minuut of tien kwam halen, gaf geen krimp. Een kleine slanke man, informeel gekleed, jong nog. Ging naast me zitten en onmiddellijk aan de slag. Weinig  woorden, doelgericht, ict’er dus.

Toen hij een collega moest gaan raadplegen ergens anders in het gebouw, zag ik het somber in. Maar binnen een half uur had hij me uit mijn lijden verlost. Ik kon hem wel zoenen, hij keek me aan alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Cool als de neten.

(Hoofdstuk II) Op naar de tuin van het Rumhuis, voor de (gratis) presentatie van de deelnemers aan het 15e Surinaams Jazzfestival. Viel met mijn neus in de boter. Het leek wel opzet: laten we dat stel onbekende Brazilianen maar het eerst op het podium zetten, dan zijn er nog niet zo veel mensen.

Het bleek, achteraf gezien, de enige troef van het hele festival. Als je tenminste jazz serieus neemt. Want wat is het bijzondere van jazz? Niet alleen de eindeloze improvisatie op een en hetzelfde thema en de soli van bandleden die om beurten het uiterste uit hun instrument halen. Het is vooral de persoonlijke fysieke inzet en het plezier dat ervan afstraalt. En het evenwicht tussen individuele prestaties, met een hoge onderlinge gunfactor, en samenspel.

Allemaal duidelijk te zien en te horen in Arismar do Espirito Santo: een vader die zich even thuis voelde op de drums als op de gitaar, zijn zoon op de bas, een alleskunner op de mondharmonica en – ja zeker – een accordeonist die van heel klein tot heel groot kon gaan. En dan ook nog vier stemmen met elk een eigen klankkleur, die niet minder halsbrekende toeren uithaalden.

Twee dagen later waren ze weer als eerste groep geprogrammeerd, tijdens de main event van het festival op een van reclame vergeven locatie, waar je wel voor moest betalen. Met als extra handicap het lawaai van volstrekt ongeïnteresseerd publiek in de omringende etablissementen. Mijn helden waren te professioneel om zich daar veel van te trekken. De organisatoren daarentegen gingen af als een gieter.

Goddank kwam ik die avond nóg een man tegen die ik niet had willen missen: de medewerker van het internetbedrijf, die me op maandag zo goed geholpen had. Inderdaad, toeval bestaat niet.