Nu jan en alleman naarstig op zoek zijn naar lichtpuntjes in het rampjaar 2020, wijs ik graag op de memoires van de Nederlands oud-minister Jan Pronk over dertig jaar van zijn leven onder de titel: Suriname, van wingewest tot natiestaat. Een verademing temidden van de hedendaagse ketelmuziek van omhooggevallen celebrities dan wel influencers die zich, bang of verongelijkt, beklagen over de dynamiek van de natuur – de pandemie! – of eigenschappen en behoeften van ‘andere’ mensachtigen.  

Als tijdgenoot van de auteur herken ik maar al te goed de kentering die zich de afgelopen halve eeuw heeft voltrokken in de publieke opinie van het ‘westerse’ en meest welvarende deel van de mensheid. Eerst waren we getuige van een soort   wedergeboorte van het drieluik vrijheid-gelijkheid-broederschap in de vorm van de Universele verklaring van de rechten van de mens en tal van daarop gebaseerde supranationale verdragen en instellingen en nu, in afwachting van de vaccins om de pandemie te temmen, zien we een ontredderde  wereld waar effectieve internationale solidariteit ver te zoeken is en jongere generaties wild om zich heen slaan dan wel als makke schapen achter fantasten en moraalridders aan lopen. 

Tot in de jaren tachtig geloofde men volop dat de wereld maakbaar was en werd ijverig gesleuteld aan een nieuwe internationale economische orde, want de ongelijkheid tussen Noord en Zuid was toen even hele volksstammen een doorn in het oog. Maar zodra de Koude Oorlog was weggevaagd door een universele hang naar maximale welvaart tot elke prijs,  ontstond een ideologisch vacuüm van everything goes. Zelfs de degelijke klassenstrijd werd afgedankt, als effectief beleidsmiddel. De vrije markteconomie daarentegen zou het medicijn zijn voor alle kwalen. 

Ook de ontwikkelingshulp in zijn meest integere vorm moest eraan geloven. In de jaren zeventig, toen minister Pronk verantwoordelijk was voor die portefeuille, raakte niet voor niets de benaming ontwikkelingssamenwerking in zwang, maar de ambities die daarin lagen opgesloten zijn inmiddels verdampt. Vandaar de pijnlijke constatering van de oud-minister de afgelopen maand, in een interview over zijn boek met Vrij Nederland, dat het Nederlands beleid onder de hoede van de ministers Kaag en Blok slechts gericht is op twee doeleinden, te weten geld verdienen via de export en het tegenhouden van vluchtelingen en migranten.

In de context van die omwenteling krijgen zijn memoires een extra lading: ze gaan niet alleen over Suriname, maar ook over (ontgoochelende) dekolonisatie en de nog altijd heersende ongelijke ontwikkeling op alle niveaus binnen de wereldgemeenschap, waardoor mensen massaal in beweging komen op zoek naar toekomstperspectief.  

De memoires bestrijken de periode tussen het begin van de jaren zeventig, toen de geboorte van Suriname als zelfstandige staat (1975) zich aandiende, en het begin van dit millennium, toen de nieuwe staat nog steeds de gevolgen ondervond van een vroege (1980) militaire staatsgreep. Dankzij het systeem van persoonlijke aantekeningen dat Pronk erop nahield bieden ze een minutieus kijkje achter de schermen, waar kopstukken uit beide landen bijvoorbeeld eindeloos steggelden over de modaliteiten van de onafhankelijkheid. 

De minodè (zoiets als mijn naam is haas) recensent Michiel van Kempen beklaagde zich in Caraïbisch uitzicht over de afwezigheid van smeuïge anekdotes, maar het lijkt mij een misvatting dat die thuis horen in goede memoires. Daarvoor kun je meestal wel terecht in een willekeurige biografie. Juist de volgens Van Kempen ‘gortdroge’ weergave van allerlei gebeurtenissen komt de geloofwaardigheid ten goede, want de minste of geringste achterklap kan altijd tegen je worden gebruikt.

Het zijn en blijven overigens wel de subjectieve memoires van een hoofdrolspeler, met alle beperkingen van dien. Maar wie mocht denken dat de auteur zich hier heeft uitgesloofd om het eigen straatje schoon te vegen, vergist zich. Zo gaat hij zeer uitgebreid in op de manier waarop van Nederlandse zijde werd omgegaan met het Surinaams streven naar onafhankelijkheid en ontzenuwt hij – naar mijn mening overtuigend – het nog altijd bestaand verhaal dat Nederland zijn laatste grote kolonie kwijt wilde en zonder reddingsboei in het diepe heeft gegooid. 

Ook is hij niet te beroerd om concrete fouten toe te geven, zoals de beslissing geld vrij te maken voor de doodgeboren spoorweg naar West-Suriname in het kader van de bauxietwinning direct na 1975 en het feit dat hij zich had neergelegd bij de Haagse beslissing Arron en de zijnen te laten stikken na de militaire staatsgreep c.q. revolutie van 1980. Van alle vooraanstaande Nederlandse politici die in de loop der jaren direct of indirect met legerleider Bouterse te maken hebben gehad, toont hij zich in zijn ondubbelzinnige afwijzing de meest duidelijke.

Hoezeer Pronk ook het nieuwe Suriname een vliegende start had gegund in de vaart der volkeren, des te tragischer is zijn onvermijdelijke conclusie dat het zich tot nu toe voortdurend in de eigen staart heeft gebeten en de meegekregen  bruidsschat per saldo verkwanseld is. Voor zover, af en toe, nog de nodige fatsoenlijke partijen erin slaagden aan dictatoriaal en crimineel geneigde lieden de staatsmacht te ontfutselen, kwamen die doorgaans niet veel verder dan een grote schoonmaak en herstel van de aangerichte schade. Ook dit jaar, waarin Bouterse en zijn partij na twee tergend lange en fnuikende regeerperiodes – die overigens in dit boek niet zijn meegenomen – dan toch het veld ruimde, is dat patroon heel goed zichtbaar.

Daarom sta ik toch wel verbaasd over de onvoorwaardelijke hoop waarmee de auteur zijn memoires besluit. Al juich ik toe dat hij minister Blok de les leest vanwege diens uitspraak dat Suriname moet worden beschouwd als een failing state. Als er in Nederland één politieke partij altijd pal heeft gestaan voor het Hollands koopmansbelang en dus bij zichzelf te rade zou moeten gaan, is het de VVD wel. 

Het is decennia lang in Suriname feitelijk en niet zelden gruwelijk misgegaan. Dat schreeuwt om een antwoord op de vraag naar redenen en oorzaken, want het land komt niet meer vanzelf op zijn ooit aangemeten dan wel vurig gewenste pootjes terecht. Ook het duo Santokhi-Brunswijk is allesbehalve een onbeschreven blad en de valkuilen zijn legio.  

Wat dat betreft kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat al te veel ‘Surinamers’ – aan beide kanten van de oceaan – met een enorme boog om het recente verleden heen lopen. Het is blijkbaar nog altijd gemakkelijker luidkeels te wijzen op het slavernijverleden en Bakraman de zwarte piet toe te spelen zoals de laatste tijd ‘de verzwegen en vertekende geschiedenis van ons volk’. 

In mijn ogen is romantisch zwelgen in de dagen van Anton de Kom geen optie meer. Er is meer dan ooit behoefte aan mensen die niet de kop in het zand maar de hand in eigen boezem steken. En, dat vooral, verantwoordelijkheid nemen. Anders zou de dekolonisatie wel eens een gebed zonder end kunnen worden.

Categorieën: Achtergronden

4 reacties

Wim Nusselder · 12 december 2020 op 12:07 pm

Helder en (als altijd) scherp!

    Theo Ruyter · 20 december 2020 op 8:39 pm

    Dank je wel! Kun jij verklaren waarom het boek in Nederland zo weinig gedaan heeft of zie ik dat verkeerd?

robby parabirsing · 13 december 2020 op 4:58 pm

Waar ik aan denk? Aan al die olie in onze diepzeebodem, waar kleptomane politici stees grotere ogen op laten vallen. Die minode-Van Kempen is een goeie. Eigenlijk zegt men eerder: A no mi.
Verder een goed stuk. Ben je bewust vergeten te vertellen dat men in ’80 vanuit DenHaag niet alleen leemofo Henckie Arron als een baksteen liet vallen, maar het nieuwe regiem een vordeel van de twijfel-douceurtje van 500 miljoen Nf schonk? Toen was het feest onder die club compleet…

    Theo Ruyter · 20 december 2020 op 8:36 pm

    Dank je wel voor je waardering! A no mi zal ik onthouden. En dat douceurtje komen lezers van het boek vanzelf tegen, dacht ik zo. Ik heb overigens niet de indruk dat het bij jullie is ingeslagen of is het gewoon te duur en te dik?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *