Misschien denk je daar niet zo gauw aan bij de fauna van de Antillen, maar als je er één keer oog in oog mee hebt gestaan, vergeet je ze nooit meer. De ezels op Bonaire. Zo maar ergens loslopend,  niet alleen op een onverharde weg in het dun bevolkte noorden maar ook in een buitenwijk van de hoofdstad. Je vindt ze ook terug in reclamefolders en op ansichtkaarten, maar als je denkt ‘ach wat schattig, die worden vast op handen gedragen’, moet je je even achter de oren krabben.

Hun verleden dateert van de kolonisten die, in het spoor van Columbus, vanuit Europa hierheen kwamen. Tot in de tweede helft van de afgelopen eeuw hebben ze hier dienst gedaan als last- en werkdier, maar verreweg de meeste waren inmiddels afgedankt en aan hun lot overgelaten. Volgens een ruwe schatting liepen er in 1956 nog 1200 rond.

Ze waren wat het wild betreft allang de grootste landdieren en  werden nog wel eens door mensen te grazen genomen, maar doorgaans met rust gelaten. En de zorg van de overheid beperkte zich tot hier en daar een verkeersbord met de waarschuwing ‘overstekende ezels’.

Tot het aantal bewoners, met name door immigratie, gestaag begon te groeien en het verkeer meer dan gestaag (van 250 auto’s in 1956 tot 10.000 in 2015). Met als gevolg eerder een belangentegenstelling dan een symbiose in de relatie tussen mens en dier. Bovendien werd de verhouding gecompliceerder, omdat heel wat allochtonen die hun oog op het eiland lieten vallen, blijk gaven van nieuwerwetse ideeën over het bestaan en welzijn van de ezel als medebewoner. Vandaar de roep om niet langer Gods water over Gods akker te laten lopen.

Een grote stap was in 1993 de oprichting door een Nederlands echtpaar van een soort EHBO voor ezels. Die groeide uit tot wat nu bekend staat als het Donkey Sanctuary Bonaire (DSB) ten zuiden van het vliegveld, bestaande uit een ziekenboeg voor verkeersslachtoffers en ernstig zieke merries of hulpeloze veulens (met de nodige bijgebouwen) enerzijds en een omheinde lap grond (60 ha) waar gezonde ezels voedsel, water en medische zorg krijgen anderzijds.

Een particuliere organisatie, gebaseerd op donaties, vrijwilligerswerk en uitstekende public relations, die op het ogenblik 700 ezels onder haar hoede heeft. Doel is een qua aantal stabiele en tegelijk gezonde ezelpopulatie op Bonaire, maar om dat te bereiken is actieve medewerking van de overheid nodig. Inzake zowel het treffen van maatregelen als de kosten van de uitvoering. En daar knelt de schoen.

Zoals elders in het Caribisch gebied, zijn ook hier natuurbehoud en dierenwelzijn een sluitpost voor de politiek. Na jaren soebatten bereikte het DSB in 2014 overeenstemming met het eilandbestuur over een programma met twee speerpunten: de opname in het reservaat  van merries van buiten voor de rest van hun leven en de vangst van hengsten met het oog op castratie en latere vrijlating  ver van de hoofdstad. Het bestuur zou daarvoor 40.000 (Amerikaanse) dollar per jaar  uittrekken.

Althans, dat dachten ze bij het DSB. De uitvoering van het plan kwam namelijk al gauw op losse schroeven te staan door een campagne van tegenstanders, die als de Bonaire Donkey Protection League de leiding van het DSB ervan beschuldigden de ezels op het eiland te willen uitroeien. Aangiftes van beide kanten werden door het Openbaar Ministerie niet in behandeling genomen en gezaghebber Edison Rijna zag zich genoodzaakt het hele programma op te schorten.

Sindsdien is sprake  van een impasse. Het DSB probeert vergeefs de overheid weer in beweging te krijgen. De botsing tussen vernieuwingsdrang en behoudzucht is een open zenuw in de samenleving en daar lopen de bestuurders liefst met een wijde bocht omheen. En eigenlijk – het DSB is jaarlijks meer dan anderhalve ton (dollar!) kwijt aan water, voer en hooi alléén – kunnen dieren die alleen maar geld kósten hun gestolen worden.

 

Categorieën: Blog post

2 reacties

Vincent · 15 februari 2019 op 6:41 pm

Mooi stuk Theo.

    Theo Ruyter · 15 februari 2019 op 8:25 pm

    Masha danki!

Geef een reactie

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.