“Ik heb goed nieuws en ik heb slecht nieuws,” spreekt de medisch directeur van het Centro de Control Cáncer in Bogotá tenslotte, voor zich uitkijkend naar het raam aan de straatkant.

Dat heb ik vaker gehoord en hoewel ik nu het meest benieuwd ben naar het slechte, plooi ik mijn gezicht toch maar in een beleefde glimlach en antwoord: “Geeft u me dan eerst maar het goede.”

“Het goede nieuws is…” 

Hij draait zijn bovenlichaam een kwart slag en kijkt me nu recht in het gezicht. 

“De kanker is tot nu toe beperkt gebleven tot de prostaat.”

Goed nieuws ja. En het slechte komt er direct achteraan. 

“Helaas is bij u sprake van een zeldzame complicatie, een cyste met vocht in de prostaat en daarom lijkt de brachytherapie me in dit geval te riskant.”

Dat is een streep door de rekening. De uroloog op het eiland sprak destijds van ‘een weekje’ en ik heb er nu al twee weken op zitten. En hij heeft nog meer slecht nieuws, in een moeite door. 

Waar hij ze zo gauw vandaan haalt weet ik niet, maar opeens verschijnt een drietal foto’s voor mijn neus. Vooral die ene, met de wervelkolom van nek tot stuitje, spreekt duidelijke taal: er zit gewoon een slag in, zoals bij een fietswiel dat je recht moet buigen, wanneer je ergens tegen aan bent geknald.

Ik dacht dat mijn rug hier in de voorbije scans alleen relevant was, voor zover daar de sporen van uitzaaiing waarneembaar zouden zijn. Maar nu krijg ik te horen dat hij onderhevig is aan ernstige slijtage, op meerdere plaatsen, en dat ik de komende jaren heel wat moeite zal moeten doen om de boel recht te houden.

Ik heb de neiging om te protesteren en begin enthousiast te vertellen over de oefeningen waar ik al jaren dagelijks tijd voor maak. Ik heb immers op het internet gezien dat mijn gesprekspartner ongeveer even oud is… Maas ik lees al gauw op zijn gezicht dat zo’n gesprek niet aan hem besteed is en haast me terug naar het hoofdonderwerp.

Heeft hij een alternatief in gedachten? Ja, dat wel. In de literatuur heet dat gewoonlijk image guided radiation therapy. Iets met golden seeds, hoor ik met een half oor. Dat soort details geloof ik wel, ik wil concreet weten wat ik ervoor moet doen of laten.  

Bij hem in de Clinica del Country gaat het om twintig sessies, alleen op werkdagen, dus in totaal vier weken! De begeleider die de zorgverzekeraar heeft meegestuurd voor het geval ik in den vreemde zwak, ziek en misselijk zou worden, is al weer terug naar het eiland en ik ben voor dit gesprek langer gebleven, met het vooruitzicht dat ik hem het volgend weekend achterna zou komen. 

Om mijn eer als mondige patiënt een beetje te redden rek ik het gesprek met een vraag over andere opties. Eigenlijk zijn dat er maar twee: een operatie en niets doen. De eerste beschouwt hij als een aantasting van mijn mannelijkheid en dat is niet aan de orde, in mijn specifieke geval. Ook de tweede vat hij serieus op: “Helemaal niet zo gek als u suggereert, hoor!” Om vervolgens in enkele zinnen het geleidelijk verval en de daarmee (waarschijnlijk) gepaard gaande pijn te schetsen, zolang er evenmin aan mijn hormonale huishouding wordt gesleuteld.

Ik werp nog een een blik op het porseleinen beeldje van een elegante dame in jarendertigoutfit schuin boven zijn hoofd in de boekenkast, dat tijdens de voorgaande gesprekken ook telkens mijn aandacht trok. Langzamerhand heb ik mijn portie wel gehad. 

“Hartelijk dank,” zeg ik, wanneer ik hem bij het afscheid de hand druk. En ik meen het, want ik heb bij hem geen moment het gevoel gekregen dat ik op een schopstoel zat. Met zo iemand zou ik wel verder willen, maar ik moet eerst alles goed tot me laten doordringen.

Het is buiten al weer bewolkt, nota bene vóór het middaguur. Vanmorgen, toen ik het gordijn opentrok, scheen tot mijn vreugde de zon op de blinde muur die altijd mijn uitkijk belemmert. Mijn telefoon gaf als maximumtemperatuur voor vandaag 17 graden aan. Toch lopen veel mensen er met een paar zonnestralen al bij, alsof het voorjaar in de lucht hangt en ze op weg zijn naar een gezellige picknick. Op zich natuurlijk  hartverwarmend, maar ik krijg het er nog kouder van. Het wordt tijd dat ik kleren ga bijkopen. 

Op de automatische piloot slenter ik terug naar het hotel. De stad als geheel, met even veel mensen als New Delhi heb ik begrepen (ruim zeven miljoen), komt mij nog steeds voor als een onafzienbaar labyrint, maar deze route ken ik als mijn broekzak. De ons toegewezen chauffeur zei de eerste keer, toen we prompt vast kwamen te zitten: “Het is best te lopen, alsmaar rechtdoor.”

Als een geslagen hond sluip ik een half uurtje later de hal binnen, voorbij de knipmessende portier en de stralende jonge gezichten achter de langgerekte balie. Snel naar boven, al wacht me daar een ijskoude parketvloer. Bij gebrek aan sloffen trek ik dan mijn slippers aan, om mijn voeten nog enigszins warm te houden. 

Het driepersoonsbed is al opgemaakt en ziet er lokkend uit. Een dekbed! Ik geloof niet dat ik daar in de tropen ooit onder gekropen ben. Op het eiland is een laken al te veel. Maar ik moet nu geen slappe knieën krijgen. Ga jij eerst die nieuwe therapie maar eens googelen!

Na een aantal hits probeer ik wat te eten, maar de kiespijn die het afgelopen weekend kwam opzetten, schijnt dit tijdstip te hebben afgewacht om olie op het vuur te gieten. Ik was er al bang voor: het is de meest belaste kies in mijn hele, sowieso al gammele, gebit. Prompt komen de beelden van mijn rug weer te voorschijn, als een soort bijvangst van al het verrichte onderzoek. De afgelopen jaren heb ik in Suriname de nodige plaagstootjes gehad, maar sinds de overstap naar het eiland is het menens geworden: het feest van de ouderdom is onontkoombaar.  

Ik moet iets bedenken, een plan B. Dat is toch niet zo moeilijk? En niet te lang dubben. Anders wordt die IGRT ook achterhaald door de feiten. De directeur zei niet voor niets dat ik er binnen een maand mee moest beginnen. Het gemakkelijkst zou zijn, als ik hem nu zou bellen: “Ik ben er klaar voor, u ook?” 

Maar wil ik dat echt, zoveel weken erbovenop? In een hotelbedoening waar ik me niet thuis voel, in een stad waar ik geen hond ken en in die narigheid buiten die me doet denken aan ‘de donkere dagen voor Kerstmis’. Kan ik dan niet beter een ziekenhuis in Nederland zoeken, waar ook IGRT op het menu staat? Al is de vraag of ik daar voorrang krijg. Een spoedgeval uit Caribisch Nederland… Huh?

Ik moet met mensen praten. Alleen kom ik er niet uit. Maar met wie? Op goed geluk bel ik een vriendin van jaren her, die meer dan een jaar geleden overrompeld werd door de lymfeklierkanker van haar man. Het is meteen raak en wonder boven wonder houdt de verbinding langer stand dan ik van het hotel gewend ben. Het lijkt haar een goed idee naar Nederland te gaan, waar mijn kinderen wonen en ik me geen vreemde hoef te voelen. Genoeg om uren op te kauwen. Waar zou ik minstens een maand kunnen logeren? Ga ik me daar weer thuis voelen, na vijf jaar emigratie? Kan ik mijn leven op het eiland zo maar stil zetten, nu het net ergens op begint te lijken? 

De middag kruipt voorbij. Ik probeer mijn zinnen te verzetten en me te richten op zaken waar ik sinds mijn aankomst mee begonnen ben. De krant van vandaag (het woordenboek ligt er nog naast), het half gelezen boek over de dictators van de afgelopen halve eeuw in Afrika, de aanzet tot een nieuw artikel… Het lezen en zelfs het schrijven is langzamerhand, als gevolg van een onverklaarbare oogaandoening, niet meer het vaststaand en altijd terugkerend genoegen dat het altijd was. Dat werkt trouwens door buitenshuis, zeker in een stad als deze. En wanneer het dan bovendien noodweer is, wat ik al herhaaldelijk heb meegemaakt, loop ik helemáál in zeven sloten tegelijk.  

Misschien word ik wat vrolijker van een bezoek aan de gymnasio op de derde verdieping. De enorme zaal vol toestellen met instructies zodat je je eigen work-outprogramma kunt samenstellen, kan me gestolen worden, de sauna en het Turkse bad daarentegen hebben wel wat. Dus ik bel de receptie en vraag of ze die voor me willen aanzetten.

Maar het is weer ‘helaas’. In het zweetlokaal gaat de temperatuur al omlaag, wanneer ik net aan mijn tweede rondje begonnen ben. Alsof ik op mijn lazer moet krijgen vanwege schending van de kledingvoorschriften. En in de stoomruimte worden telkens zulke loeihete wolken over me uitgestort dat ik niet kan blijven zitten en mijn toevlucht moet nemen tot de koude douche in een apart hokje. Het is ook niet zo verwonderlijk, moet ik toegeven. Wat in het ene land als het summum van genot wordt ervaren, stuit in het andere op onbegrip en afkeer.

Ik blaas de aftocht en ga terug naar mijn kamer.  De muren van de buitenwereld achter de ramen zijn verdwenen in een groot zwart gat. Ik haal snel de  gordijnen naar beneden en plof neer op de bank. Wat nu? O ja, etenstijd! Ik moet goed voor mezelf zorgen. Kleed je maar fatsoenlijk aan en ga beneden in het restaurant aan een tafeltje zitten. Met een beetje mazzel is er voetbal op tv.

Uit een soort balorigheid – als je echt ziek bent, doe je dat niet – bestel ik een glas wijn. Chileense Merlot? Ja hoor, doet u maar. En in een tweede opwelling kies ik de Amerikaanse steak, à point graag. Pas wanneer even later een extra, zeer gekarteld, mes naast mijn bord wordt gelegd, herinner ik me dat er iets met mijn mond niet in orde was. 

Door het vlees in héle dunne plakjes te snijden en me te concentreren op de televisiebeelden worstel ik me ook door dit onderdeel van de dag heen. Terug op mijn kamer gaat direct de televisie aan. Soap wil ik zien, echte onvervalste soap. En ja hoor, ik word op mijn wenken bediend. Tijdens de ene wordt al reclame gemaakt voor de volgende. Het decor verandert van kantoor in ziekenhuis, maar de rest is van één laken een pak. Liefde en bedrog, winst en verlies, pijn en genot, spanning en sensatie. 

Het tempo ligt hoog, dus je blijft kijken. Tot het moment van verzadiging aanbreekt en ik me realiseer dat ik niet hoef te kijken. Mag ik eindelijk naar bed, een punt zetten achter een lange dag? Hoe zorg ik ervoor dat mijn hoofd niet opnieuw begint te malen? 

Ik versier het hoofdeinde met een berg kussens in het midden. Dat zit lekker. Mijn telefoon bij de hand. Het duurt vaak een tijdje voor ik, in de overdaad van het aanbod, de juiste beelden gevonden heb. Van mensen die er gewoon samen wat leuks of wat moois van willen maken in plaats van te volstaan met een verplicht nummertje voor een bom duiten. 

Soms heb je wel wat van je gading te pakken, maar word je toch nog ruw gestoord door technische slimmigheidjes van allerlei internetgespuis. Maar als je eenmaal – oefening baart kunst – je hoogtepunt hebt bereikt, dan is de verkwikkende slaap nooit ver weg.

Categorieën: Achtergronden

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *