Geboren uit plattelandskinderen die in oorlogstijd hun heil in de stad hadden gezocht, werd ik al vroeg bevangen door een hang naar vèrder gelegen oorden. Bij uitstek de eilanden rond de evenaar, in het uiterste zuiden van Azië tussen Indische en Stille Oceaan. Dagelijks prikkelden die mijn fantasie, op enorme landkaarten in de Sint-Jozefschool aan de Haarlemse Nieuwe Gracht. 

Oom John en tante Mil kwamen daarvandaan. Ze woonden schuin tegenover ons in de straat waar mijn vader een winkel had, en staan in mijn geheugen gegrift vanwege de huiskamer met televisie, waar wij als kinderen op gezette tijden ook mochten aanschuiven. Hij een gewone bleke Hollander, die best streng kon zijn, zij heel bruin, stil en tenger. Hun kinderen waren al groot en zó mooi dat ik mijn ogen er niet van af kon houden. Geen wonder dat The Blue Diamonds later mijn helden werden en ik wel kon huilen bij het horen van Anneke Grönloh met Brandend zand op de radio.

De belangrijkste brug tussen mijn kinderjaren en Nederlands-Indië werd geslagen door oom Jaap, de jongere broer van mijn vader. De ideale oom, die tijdens de oorlog uit Duitsland was ontsnapt en een paar jaar later dienst nam in het Nederlandse leger om tegen de rebellen in Indië te vechten. Ik zie me nog staan tussen al die mensen op de kade van IJmuiden, waar we hem bij zijn terugkeer moesten toezwaaien op dat torenhoge schip. Jaren later zou hij me vertellen dat kapitein Westerling voor hem geen vreemde was geweest en dat hij ook zelf dingen had gedaan waar hij liever niet aan terugdacht. 

Omstreeks mijn tiende, kwam nog een andere held uit de hemel  vallen: pater Meuwese van de Missionarissen van het H.Hart, uitgenodigd bij ons op school om te vertellen over zijn werk als missionaris in Nieuw-Guinea. Op dat moment waren klaarblijkelijk voldoende koloniale memen in mijn brein werkzaam, want ik viel voor hem als een blok. Een geweldenaar in zwart habijt, met een volle donkere baard en ogen die keken tot in mijn tenen. En aangezien het rijke Roomse leven nog niet op instorten stond, werd ik van alle kanten gesteund, toen ik na slechts een nachtje slapen verklaarde deze man te willen volgen. 

Vijf jaar lang bleef ik de roeping trouw op een klein-seminarie in Velsen, waar ik weliswaar met Papoea’s kennis maakte maar mijn motivatie om juist in hun land koloniale gevoelens bot te vieren geleidelijk afnam. Memetisch gezien voltrok zich vervolgens een mutatie: van het Nederlands kolonialisme op zijn laatste benen in de Oost zwalkte ik, via een studiejaar op het College voor Latijns-Amerika in Leuven, naar de emancipatie van onafhankelijk verklaarde kolonies en heel concreet bevrijdingsbewegingen in Afrika.

Eind 1972, kort na mijn afstuderen en midden in een procedure om als politieke dienstweigeraar te worden erkend, nam ik de wijk naar Dar es Salaam (Tanzania) als stringer voor nieuwsmedia in Nederland en België. In mijn ogen the place to be vanwege het toonaangevend beleid van president Nyerere en de aanwezigheid van organisaties als ANC, MPLA, ZAPU en Frelimo. 

Mijn meest concrete connectie met het koloniaal verleden van Nederland was destijds, tot en met een tweede verblijf in Tanzania in de jaren tachtig, het systeem van de apartheid. De kwalificatie  persona non grata bij mijn herhaaldelijke aanvraag van een visum beschouwde ik als het beste teken dat ik aan de goede kant stond. Maar als ik nu moet uitleggen waarom ik er ook sinds de overwinning van Mandela niet ben gaan kijken, vermoed ik toch een sluimerend gevoel van schaamte voor de apartheid en haar onontkoombare nasleep.  

Dit laatste heeft namelijk zeker gegolden voor Indonesië. Mijn affiniteit met dat land was nooit helemaal verdwenen, maar de vele  omtrekkende bewegingen aan weerszijden van de evenaar hadden  een gevoel opgewekt van medeverantwoordelijkheid voor wat daar voorheen – onder Nederlandse vlag – was misdaan en misgegaan. 

Pas in 1988, toen ik in Afrika – in een niet-journalistieke baan – op een dood spoor was beland, kwam Indonesië weer bovendrijven. Als de hoeksteen van een reis om de wereld. Het was nu of nooit en ik had opeens het volste vertrouwen dat ik langzamerhand met mijn gemengde gevoelens wel raad zou weten. Bovendien sloot het  naadloos aan bij mijn uitgangspunt dat ik op die reis het vliegtuig als vervoermiddel diende te mijden. 

In zes weken reisde ik, over land en per schip, van de Riau-eilanden tot West-Timor en werd dat het best geslaagde onderdeel van mijn hele reis. Halverwege, met het oude handboekje van oom Jaap bij de hand, had ik al voldoende Indonesisch onder de knie om met alle rangen en standen te kunnen communiceren. Al moet ik zeggen dat mijn hart bij uitstek opveerde, wanneer een lid van de oude garde zijn Nederlands te voorschijn haalde als een trots bewaard geheim. Misschien heb ik ze genegeerd of gesublimeerd, maar hard feelings zijn me niet bijgebleven. Integendeel, het was een doorlopend warm bad, zonder weerga in de landen die me  nog te wachten stonden. 

Ook in de tweede helft van mijn leven, heeft het vele jaren geduurd vóór het Nederlands kolonialisme zich opnieuw aan me opdrong en deze keer niet als een bijkomstigheid of iets van voorbijgaande aard. Daarvoor was nodig dat ik de West beter in het vizier kreeg en dat begon heel klein, kort na de terugkeer in het vaderland van  de wereldreis. In de redactie van twee opeenvolgende programma’s, waarmee de VPRO een paar televisiemakers met Caribische roots de gelegenheid bood door te breken. 

Het Gooise avontuur was evenwel van korte duur, zodat het zaadje pas veel later tot ontkieming kwam. Afrika liet zich niet zo maar opzij zetten en vanwege diverse betaalde banen en andere activiteiten, voor eigen rekening, werd meer dan ooit de wereld mijn werkterrein. Tot ik me in het begin van dit millennium vertilde aan een baan in Ndjamena (Tsjaad). Aangezien daar ook een gezin met kinderen rond de tien bij betrokken was, had dat niet alleen beroepshalve grote gevolgen. 

De vier gezinsleden likten, gezamenlijk dan wel ieder voor zich, hun wonden in het land van herkomst. Het kwam tot een echtscheiding en daarna trakteerde pa de kinderen nog op een reis naar zijn geliefde Tanzania, om hun herinneringen aan het continent in positieve zin bij te kleuren. De gevoelens daaromtrent waren gemengd, maar het leverde ten minste een mooie novelle op. Een werkelijke punt achter Afrika zette ik pas in 2014, toen ik besloot in mijn eentje te emigreren naar Suriname.   

Ik was opnieuw vrij man geworden, beschikte over te weinig lauweren om op te rusten en voelde me geroepen tot nieuwe taken. Switi Sranan rook zijn kans en troefde, na een eerste oriëntatie mijnerzijds van nog geen twee weken, alle concurrerende landen af. Doorslaggevend was niet alleen dat ik mijn speurtocht naar koloniale memen – en wie weet, ik was geen bioloog, ook genen – wilde voortzetten, maar ook dat ik in dat land bij uitstek kansen zag om me nog één keer volledig aan de journalistiek te wijden. 

Op beide vlakken ben ik ruimschoots aan mijn trekken gekomen. Het een vulde het ander aan: via de journalistiek kreeg ik snel  allerlei zaken in de samenleving in de smiezen en daarbij lagen de verbanden met het koloniaal verleden voor het opscheppen. Het was een prima plek om enerzijds te toetsen wat ik elders had geleerd en anderzijds te ontdekken dat ik juist hier heel persoonlijk werd geraakt. Niet als zelfbenoemde luchtvluchteling, dus doorsnee gelukzoeker, maar als een soort oude bekende, vriend of familielid. 

Bij aankomst had ik de mogelijkheid open gehouden dat ik aan het land verslingerd zou raken, me zelfs een nieuwe liefde te beurt zou vallen en we van elkaar zouden genieten tot in eeuwigheid.  Maar dat bleek te hoog gegrepen. In intellectueel opzicht werd ik wel constant uitgedaagd, maar in sociaal en politiek opzicht deed zich een opstapeling voor van verschijnselen, hebbelijkheden en ongemakken, die  me uiteindelijk de das om deed.  

Ik heb nog een tijdje volgehouden dat ik de ondergang van legerleider Bouterse wilde beleven, maar het inzicht dat zo veel mensen zo lang die man de hand boven het hoofd hadden gehouden, stemde me niet erg optimistisch. Het beste dat ik na vier jaar Suriname kan zeggen is dat het me definitief genezen heeft van de koloniale tropen als jongensdroom en ik het er gloeiend mee eens ben dat je niet genoeg kennis kunt nemen van je collectief verleden. 

De keus voor het Openbaar lichaam Bonaire als nieuwe bestemming was niet zo moeilijk, al kreeg ik in Paramaribo als commentaar op dat plan te horen dat ‘ze daar nog dommer zijn’. Ik had het eiland een paar keer bezocht vanuit Suriname, met vakantie, en ik was steeds nieuwsgieriger geworden naar de concrete verschillen met de Antillen in hún streven naar dekolonisatie.

Inmiddels ben ik weer ruim twee jaar verder en krijgt mijn verblijf  op Bonaire het karakter van een final countdown. Al wat met kolonialisme in het algemeen en de Nederlandse variant in het bijzonder te maken heeft, vind je hier bij elkaar. Spanje was de eerste Europese kolonisator, die korte metten maakte met de oorspronkelijke ‘indiaanse’ bewoners. In de 17e eeuw werd het een van de zes Antillen waar Nederland zijn macht in de regio consolideerde.

 Na de ineenstorting van de Nederlandse Antillen als staatkundige eenheid (1954-2010) ‘koos’ het als enige van de grotere vier voor volledige integratie in het Koninkrijk, als openbaar lichaam op gelijke voet met wat in Europa gemeentes worden genoemd. Maar wat altijd een kolonie is geweest wordt niet zo maar een gemeente, al schijnt dat tot weinige geesten te zijn doorgedrongen. Vandaar dat ik getuige mag zijn van een bestuurscrisis, die aan beide zijden van de oceaan stelselmatig wordt toegedekt en dus nog wel een tijdje zal doorzetten.

Dichter bij de kern van kolonialisme kom ik waarschijnlijk niet. Mensen volledig de verantwoordelijkheid voor hun eigen bestaan en manier van overleven afpakken dan wel ontzeggen, is zowat het ergste dat je andere mensen kunt aandoen. En dat gaat altijd twee kanten op: zowel de gekoloniseerde als de kolonisator wordt ermee besmet tot in lengte van dagen. Eeuwen soms of nog langer. Een kwestie van memen èn genen.

Categorieën: Achtergronden

2 reacties

Vincent · 28 februari 2021 op 10:07 am

Prachtig stuk Theo, dank!

    Theo Ruyter · 28 februari 2021 op 4:47 pm

    Dank je wel!
    Maar hoe komt het toch dat ik in die feed op LI mijn eigen stukken niet kan terugvinden? Toch jouw instructies niet goed gevolgd? Of moet je daar ook geld inzetten om meer aandacht te krijgen?

Geef een reactie

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.