Eindelijk kunnen we hier op Bonaire ook kennis maken met de Nederlandse speelfilm Buladó, die zich geheel op Curaçao afspeelt. Unaniem lovende recensies, een gouden kalf op het filmfestival in Utrecht en korte tijd later zelfs de Nederlandse inzending voor de Oscar ‘beste buitenlandse film’. De verwachtingen waren dan ook hoog gespannen, in de rode zaal van onze onvolprezen Empire Cinema. 

Het verhaal draait rond een meisje van elf, dat zich heel stoer voordoet –  met metaforen als afkeer van het schooluniform en de beginscene met jongens en motoren, die even een hoop lawaai maken en dan wegstuiven, om vervolgens niet meer in de film op te duiken – en wordt opgevoed door haar vader, een politieman met een auto, want haar moeder ligt op het kerkhof. De derde hoofdpersoon is een excentrieke opa, die zich een eigen wereld heeft geschapen waarin oude tradities voortbestaan en hij even gemakkelijk contact heeft met zijn kleindochter als met haar overleden moeder. 

De boodschap is duidelijk: het meisje mist haar moeder, kan er niet over praten met vader en zoekt toevlucht bij opa. Prima, op zo’n fundament kun je honderden films bouwen…

Eché Janga, die zich vanwege zijn Curaçaose vader profileert als biracial director, schijnt zich heilig te hebben voorgenomen zo weinig mogelijk woorden vuil te maken aan wat dan ook. Natuurlijk is beeldtaal het handelsmerk van elke goede regisseur, maar messcherp gevoelens, gedachten, stemmingen en situaties uitdrukken of kracht bijzetten in beelden is niet iedereen gegeven. 

In dit geval wordt de kijker van het begin af aan met zoveel vragen opgezadeld dat de gebeurtenissen en gedragingen op het scherm eerder minder begrijpelijk en geloofwaardig  worden dan meer. De moeder bijvoorbeeld, die zo belangrijk is voor zowel de vader als zijn dochter, komt totaal niet uit de verf. En dan slaat verbazing om in ergernis, zodat je je ook niet meer laat paaien door indringende close-ups, ongenaakbare landschappen of oneindig ver reikende zeeën. Al moet ik toegeven dat de film een zeer geslaagd visitekaartje is voor het eiland als toeristische bestemming. 

Rest de vraag waarom zo vele, naar ik aanneem hoogst deskundige en onbevangen, lieden aan de Noordzee de film de hemel in hebben geprezen en verwachten dat de rest van de wereld – althans in het land van Trump – hen zal volgen. Is het het meisje – een natuurtalent – dat haar vader toebijt dat hij beter terug kan gaan naar Nederland? Ofwel de vader die klem zit, als zinnebeeld van de koloniale law-and-order? Dan wel de vogelvrije opa, die uitgedost als kerstboom vol attributen van een vergane tijd en prevelend als een wisiman in permanente psychose over het scherm banjert? 

De claque van Janga doet me denken aan de positieve discriminatie, die al een paar decennia geleden in Nederland wortel schoot en nog altijd voortleeft in kringen als het Hubert Bals Fonds voor filmmakers uit arme landen, Prins Claus Fonds en de geldschieters van OneWorld. Over smaak raak je op een gegeven moment uitgepraat, maar over kwaliteit – kitsch of kunst – zouden altijd de degens moeten worden gekruist. Daaraan heeft het bij Buladó tot nu toe ontbroken. Zou de hardnekkige zwijg- en kijkwegcultuur van de Antillen daar debet aan zijn?

Categorieën: Blog post

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *