Mij is geen land bekend dat zoveel op heeft met verjaardagen (ook wel ‘jaardagen’ genoemd) als Suriname. Elk weekend sjezen duizenden volle auto’s, met dank aan de staat voor de goedkope benzine, van hot naar haar om er een aantal af te werken. En ook tussendoor is dat het meest geliefde en, als je alles meerekent, kostbaarste tijdverdrijf.

Heel speciaal is ook de bigi yari,  te weten een verjaardag waarin tenminste het cijfer nul of vijf voorkomt. Als die wordt overgeslagen, breekt de pleuris uit. Al was het maar omdat je dan honderden mensen een volledige maaltijd door de neus boort. Want eten is het heiligste onderdeel van de eredienst. Zelfs als je niet welkom bent of gewoon verhinderd, kun je nog een bak met eten verwachten, alsof je de buitenhond aan de ketting bent.

Een sterk staaltje is deze week de (enige) universiteit van het land, die niet alleen een hoogdravende internationale conferentie ophing aan haar eigen 50ste  verjaardag, maar ook aan

* de 165ste  van de Chinese en Portugese immigratie,

* 155ste van de afschaffing van de slavernij,

* 145ste van de immigratie uit Oost-Indiërs en

* 128ste van de immigratie van Indonesiërs.

(Alsof je tegenwoordig niet meer ‘Javanen’ mag zeggen.)

De conferentie is georganiseerd door de subfaculteit geschiedenis onder de titel (vertaald uit het globish) ‘Nalatenschap van slavernij en contractarbeid’. In kleinere letters zijn daar ‘migratie en diaspora’ aan vastgeplakt, waarschijnlijk om meer papers van buitenlandse vakgenoten binnen te krijgen. Want de hedendaagse migratie- en diasporaproblematiek is niet bepaald het sterkste punt van de organisatoren zelf.

De cultus van de verjaardagen staat niet los van de hang naar het verleden, die in Suriname niemand onberoerd laat. Het verleden is blijkbaar een betere plek om te vertoeven dan het heden, laat staan de toekomst. Culturele verenigingen met eigen taal, godsdienst,  kunst, kleding, eetgewoonten en andere folklore, die de voorouders in ere en de contacten met hun land van herkomst  gaande houden, zijn niet te tellen. De machthebbers komt dat zeer gelegen onder het motto: geef mensen het gevoel dat ze ‘zichzelf’ mogen zijn en ze zijn zo mak als een lammetje.

Ook op de universiteit  wordt het verleden gekoesterd, zeker in menswetenschappen zoals  geschiedkunde. Natuurlijk is het belangrijk dat mensen weten waar ze – letterlijk en figuurlijk – vandaan komen en dat een land zich bewust is van zijn verleden. Maar tegelijkertijd mag je van een universiteit verwachten dat ze zich verantwoordelijk opstelt ten aanzien van het heden en wat dat betreft laat de Anton de Kom-universiteit heel wat steken vallen.

Genoemde conferentie staat in schril contrast met de voortdurende crisis waarin het land verkeert. De universiteit zwijgt als het graf over de manier waarop ze de kosten heeft gedekt, terwijl ze jaar in jaar uit klaagt over geldgebrek en de arbeidsconflicten elkaar opvolgen. En geldgebrek is telkens het excuus voor eigen falen, als het gaat om de schreeuwende behoefte van de samenleving aan onderzoek, dat wil zeggen aan kennis en inzicht in déze tijd.

De Surinaamse geschiedschrijving is rond 1975 tot stilstand gekomen. De dekolonisatie van de geschiedschrijving  (over voorafgaande periodes) werd belangrijker geacht dan eigen geschiedschrijving over de bittere realiteit van de dekolonisatie zelf, in de zin van plichtsgetrouw getuigenis afleggen van wat er sindsdien is gebeurd. Het resultaat? Een land in zak en as door het wanbeleid van politici, terwijl zijn Alma mater ziende blind is.

Categorieën: Blog post

0 reacties

Geef een reactie

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.