Haar naam zal ik nooit te weten komen, maar ze staat met stip in mijn geheugen gegrift. 

Het was vrijdagmiddag, de dag voor mijn terugkeer naar Bonaire, en ik stond om me heen te kijken op een groot plein, met verkeer van alle kanten. Hoe kon ik ’s hemelsnaam een taxi vinden om nog één keer naar Candelaria te rijden?

Zojuist was ik, onverschillig, een vage figuur gepasseerd die reclameblaadjes stond uit te delen en ik blikte achteruit. Een vrouw in donkere kleding, nog jong zo te zien. Zou zij een beetje thuis zijn in deze buurt? 

Met een openingszin in mijn mond ging ik op haar af en werd allereerst getroffen door haar make-up. Om door een ringetje te halen. En klaarblijkelijk was mijn vraag duidelijk genoeg, want ze richtte al haar aandacht op mij en begon met me mee te draaien. 

Misschien klonk mijn bestemming haar in de oren als heel ver hiervandaan. Dus begon ik woord voor woord uit te leggen wat ik daar te zoeken had. Tot ze haar hoofd stilhield en bleef kijken in de richting van de bergkam die van noord naar zuid de stad begrenst. De rest zoek ik zelf wel uit, dacht ik bij mezelf. Maar daar dacht zij anders over.

Ze hield de stapel folders stevig vast en begon met me mee te lopen. Bij stoplichten, waar dubbele rijen auto’s stilstonden, zorgde ze dat ik veilig overstak, terwijl zij tegelijkertijd scherp in de gaten hield of er geen taxi’s  zonder passagiers tussen stonden dan wel kwamen aanrijden. Of ze parkeerde me op een stoep en fladderde zelf over het wegdek voor nader onderzoek. 

Tussendoor probeerde ik een gesprek op gang te brengen, al was het maar om het schuldgevoel te sussen dat ze in haar werktijd voor mij in de weer was. Maar ze bleef gefocust en rustte niet tot ze een plek had gevonden, bij de ingang van een gigantisch winkelcentrum, die iets weg had van een taxistandplaats. 

De derde keer was het raak. Ze dook als een havik door het open portier naar binnen, wisselde een paar zinnen met de chauffeur en kwam met een tevreden gezicht weer te voorschijn. Ik kroop op de vrije zetel en kon op het nippertje – door het raam – een arm naar haar uitsteken bij wijze van dank.

Over haar zong Donald Jones al op het eind van de jaren vijftig met de woorden van Annie M.G. Schmidt: “Ik zou je ’t liefste in een doosje willen doen en bewaren, heel goed bewaren.” Ik kon er niet over uit, maar gelukkig begreep de taxichauffeur dat heel goed en hij deed een duit in het zakje door onderweg van alles over zijn stad te vertellen.

Ze werd voor mij in één klap het gezicht van al die mensen in Bogotá die ik de afgelopen weken had bezig gezien om een grijpstuiver te verdienen. Bedelaars of daklozen in donkere portieken waren er nauwelijks, mensen die van alles te koop aanboden of hun kunsten vertoonden des te meer. 

Heel vaak waren het jongeren en zagen ze er verzorgd uit, alsof ze hoe dan ook hadden geleerd dat ze goed voor de dag moesten komen om te slagen in het leven. 

Ook  bijvoorbeeld de ophalers en sorteerders van afval, die zich met hoog opgetaste handkarren een weg door het drukke verkeer baanden en zo hun bestaansrecht in de samenleving lijfelijk afdwongen. De beroepseer straalde ervan af. 

Colombia staat sowieso bekend om zijn grote informele sector, dat wil zeggen het deel van de werkgelegenheid waar de overheid met haar belastingen, regelgeving en controles niet aan te pas komt. Natuurlijk zitten daar schaduwkanten aan. Alleen al vanuit het oogpunt van internationaal erkende mensenrechten. 

Maar dat mensen in groten getale liever de handen uit de mouwen steken dan dat ze erop gaan zitten, lijkt me niet verkeerd. 

Categorieën: Blog post

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *