Nu de landverhuizing nadert, ga ik lichter door het leven. Wat heet ‘lichter’? Tientallen kilo’s zijn al van me afgevallen. Gewicht dat ik in eerste instantie zelf – als de man met een opdracht – op me had genomen, maar dat in snel tempo aangroeide tot een blok aan beide benen en een hartverzakking, om van de santenkraam op mijn fiets maar te zwijgen. Cruciaal was dat ik me niet meer dagelijks pijnigde met de vraag waarom, doorgaans gevolgd door en wat doen we daaraan?  Mijn gemoedsrust neemt hand over hand toe, soms lijk ik wel de vlinder van in het begin.

Toen ik, mijn eerste adres in Paramaribo, op de bovenste verdieping van zo’n enorm gewit houten herenhuis de binnenstad zag ontwaken en – daar kon je op wachten – loodzware luchten aansnelden om zich boven mij te ontladen. Vooral  de rust op zaterdagmiddag is me bijgebleven. Het tijdstip waarop vrouwen met bezems de stoepen en pleinen een beurt gaven, opdat de gelovigen zich de volgende ochtend opgewekt naar hun kerken zouden begeven.

Alles was nieuw en mooi, leuk, interessant of spannend. Van de mannen met hun lievelingsdier in een kooitje en het fietsen op de snelweg tot de gezellig swingende partybussen en een saoto aan de rand van het zwembad. En overal doodgemoedereerd Nederlands   praten: waar in de tropen kon je dat nog?

Ik had in mijn leven menigmaal een ander land omarmd, met  andere mensen, geuren en geluiden, omgangsvormen, gedachten en gevoelens. En daar per slot van rekening zo veel van geleerd dat ik meende overal te kunnen aarden. In dit geval echter heb ik beslist één ding over het hoofd gezien.

Je kunt  nog zulke goede bedoelingen hebben en van alles in je mars,  dan nog kun je als vreemdeling de mist ingaan. En om dat te ondervangen, liefst voorkomen, heb je smeermiddelen nodig. Nee, niet zo zeer geld, dat ook, maar vooral mensen. Wat dat betref ging ik gebukt onder een zware handicap: ik had geen roots. Geen herinneringen aan een onbezorgde jeugd, geen lievelingsoom in de diaspora die mijn fantasie had geprikkeld, geen teruggekeerde en inmiddels geslaagde neef die wel iets voor me kon regelen, niet eens een achtergebleven tante die me wilde leren van het land te houden.

Dit laatste is een absoluut noodzakelijke voorwaarde om het vol te houden en dat moest ik nu helemaal zelf uitzoeken. Vanzelfsprekend zocht ik overal steun, maar weldra bekroop me toch het vermoeden dat het een zware dobber zou worden. In de loop van dit jaar werd het een zekerheid: vergeet het maar, dit gaat jou niet lukken.

Mijn grootste denkfout is geweest dat ‘men’ hier wel wat van me van zou willen aan- en (desnoods) overnemen. Kennis, vaardigheden, inzichten, suggesties, voorstellen, alles vanuit de gedachte dat je van elkaar kunt leren en dat samenwerking dé manier is om – als individu én collectief – vooruit te komen. Nee dus. Telkens opnieuw werd me te verstaan gegeven: dat doen we hier liever niet, wij zijn anders.

Wat dat betreft ben ik nog altijd blij met die hoofdredacteur van de Ware Tijd, die me – in een onbewaakt ogenblik – tegenwierp dat hij het wel met me eens was, maar dat hij het niet met mijn naam en toenaam in de krant wilde hebben. Soms heb je maar één persoon nodig om tientallen andere beter te begrijpen en je gedrag aan te passen.

Ik had dus beter thuis kunnen blijven of me tevreden stellen met een onopvallende plek als allochtoon, die na een drukdrukdrukleven graag van zijn pensioen wil genieten. Maar dat is nakaarten, want inmiddels had ik de smaak van journalistiek weer te pakken gekregen en was ik veel meer van het land en zijn bevolking te weten  gekomen dan goed voor me was. Kennis die me de das omdeed.

Hoe kon ik het uithouden in een land, waar van democratie een klucht werd gemaakt, politici en ambtenaren het algemeen belang nog moesten uitvinden en een beetje journalist niet eens het woord rechtsstaat kon schrijven? Een land dat anno 2018 wordt beheerst  door een omhooggevallen legerleider met een lijvig officieus strafblad, die zich gedraagt als een Franse koning uit de 18e eeuw compleet met droit divin en, vermomd als kabinet, een geldverslindende hofhouding zonder benul van moderniteit. Alle blunders, schandalen en mislukkingen van zijn regime worden  anderen in de schoenen geschoven en bij voorkeur de stichters en exploitanten van de vroegere kolonie en hun hedendaagse nazaten, ook wel beesten genoemd.

Voor mij is het meest ondraaglijk dat die koning daar zo gemakkelijk mee wegkomt. Het geklungel van de oppositie, waarvan ik de laatste tijd getuige mocht zijn, zowel binnen als buiten de nationale krutu, is werkelijk niet te geloven. Alsof alle onderdanen boter op hun hoofd hebben en de notie van verzet tegen tirannen – als maatstaf voor de levensvatbaarheid van een volk – nooit in deze uithoek van de wereld is doorgedrongen.

Ja, ik ken de manieren waarop de toestand, mentaliteit en zo voort  kan worden geduid, begrepen, vergoelijkt en gerechtvaardigd. Het zal allemaal wel. Ik kijk nu nog slechts naar het resultaat en dan zie ik een land van geen daden maar woorden, waarvan dan ook nog minstens de helft niet aankomt vanwege allerlei taalgebreken. Een land ook waar de stelregel Ieder voor zich en God voor ons allen klopt als een zwerende vinger.

Wie weet zal het ooit – de menselijke evolutie zit vol verrassingen –  de oeroude angsten en andere hebbelijkheden in het collectief DNA van zich afschudden, zodat de ingezetenen daadwerkelijk het heft in handen nemen. Maar dan ben ík allang tot stof wedergekeerd. Het is wat het is: niet mijn land en niet mijn zorg, ook niet in commissie. Wat rest is elkaar het goede wensen en heengaan in vrede, toch?

 

 

Categorieën: Blog post

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *