Enkele maanden geleden stapte mijn moeder plompverloren mijn leven binnen. Haar eeuwfeest was nog aanstaande – ze werd in 1918 in Zwolle geboren – en ik was gewend dat ze op de bewuste dag in oktober altijd even aan de bel trok. Maar dit was een extraatje. Nota bene in Paramaribo-Noord, of all places.

Romeo Haas was al een tijdje in de weer met zijn onvolprezen Bibliotheek voor ZelfOntwikkeling en had eindelijk de ideale plek gevonden aan de Einsteinstraat. Daar hielp ik af en toe met het sorteren van nieuwe aanwinsten en ik wist wel dat er van alles tussen kon zitten, maar toen dat ene hardcover boek me opeens aangaapte…

Het woog zwaar en het oogde vermoeid. Een jaartal stond er niet in. Wel vertoonde het de sporen van goud, zowel in het stevige linnen omslag als op de losse zwarte kaft met flappen daaromheen. De illustratie in overwegend donkerrode tinten, die als een originele prent voorop leek te zijn gelijmd en bovendien naast de titelpagina van het binnenwerk was afgedrukt, zette me op het juiste spoor. Ze stelde namelijk een beer voor – type kermisattractie – die vanaf een rotspunt met een microscopisch klein en daardoor uitermate expressief oog naar beneden keek. Zodra ik de versleten letters van de titel en de auteur had ontcijferd, was er geen twijfel meer mogelijk. Het was ‘En eeuwig zingen de Bosschen’, door Trygve Gulbranssen.

 Mijn leven lang heb ik last gehad van een gebrekkig geheugen ten aanzien van de titels van boeken en films.  Dit was evenwel een absolute uitzondering en met de titel was al die jaren ook de wetenschap meegereisd dat de inhoud me diep had geraakt en dat ik ernaar terugverlangde.

Het was een van de boeken van mijn moeder waarnaar ik als jongen thuis in de voorkamer vaak stond te kijken, door de glas-in-loodruitjes van de boekenkast heen. Ze was dol op lezen en maakte me razend nieuwsgierig naar wát ze las. Zonder het te beseffen moet  ze me hebben aangestoken, want in de bibliotheek op de Nieuwe Gracht in Haarlem – niet ver van mijn lagere school – leende ik al wat los- of vastzat en kreeg ik een heus ‘bibliotheekdiploma’ voor de moeite.

Waarschijnlijk is het enig tastbaar nut van dat diploma geweest dat mijn moeder besloot me de toegang tot de schat in haar kast niet langer te ontzeggen. Het begon met dikke pillen van internationaal bekende en dus vertaalde auteurs zoals de zakenman en journalist Gulbranssen (geb. 1894)  en eindigde met het minder luxe uitgevoerd drukwerk dat bekend stond als doktersromannetjes, waarvan ik er ook als gymnasiast – in blind vertrouwen op de goede maak van mijn moeder – heel wat heb verslonden.

Kortom, daar zat ik tussen de dozen en schappen vol boeken bij Romeo. Voorzichtig, eerbiedig kun je wel zeggen, sloeg ik het boek open en rook ik eraan. Ik kon een lichte afkeer niet onderdrukken, maar de tekeningen van Anton Pieck, het plechtige lettertype, de oude spelling en de vermelding Geauthoriseerde vertaling uit het Noorsch van Dr Annie Posthumus sterkten me in de hoop dat ik een literair meesterwerk te pakken had.

Gelukkig had Romeo alle begrip voor de emotionele waarde die het boek voor me had en mocht ik het mee naar huis nemen, maar het  moment waarop ik er opnieuw van zou gaan genieten schoof ik voor me uit. Alsof ik het boek in zijn eigen waarde wilde laten. Tot het na de verhuizing, hier op Bonaire, weer te voorschijn kwam…

Eerlijk gezegd heb ik een paar keer overwogen het niet uit te lezen, omdat het te langdradig was, de taal houterig en slordig en het einde voorspelbaar. Maar dat was mijn eer én die van mijn moeder te na. Kitsch kan toch óók mooi zijn?

Categorieën: Blog post

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *