Niets vermoedend opende ik de voordeur. Ze keek me recht in het gezicht, van achter het hek. Alsof ze mij in gedachten te voorschijn had geroepen. Achter haar stond een grote zwarte auto. 

“Hier is zijn naam en telefoonnummer,” zei ze even later, toen tot me was doorgedrongen wie ik voor me had. “Hij is er slecht aan toe en heeft behoefte aan gezelschap. Jij zit hier toch ook maar in je eentje te koekeloeren!” 

Aan de telefoon klonk hij aangenaam verrast. Of ik langs kon komen,  want hij kwam nauwelijks de deur uit. Dan kon hij me meer vertellen. Ik had geen idee wat ik moest verwachten, hoewel zijn stem me op een idee bracht. Maar ik wilde niet te vroeg oordelen. 

Een bungalow met een flinke tuin. Goddank geen honden. Nadat ik luid genoeg had geroepen, hoorde ik een stem van ver en zag ik ook een deur open staan. Eenmaal binnen, loodste de stem me naar een terras aan de achterzijde. 

Pas toen ik tegenover hem zat, kon ik hem goed in ogenschouw nemen. Een levendig gezicht en rusteloze handen, zo bruin als een ‘blanke’ in de tropen maar zijn kon, maar tegelijk zo mager en verschrompeld dat ik liever naast hem keek. Tussen ons in lagen, op een laag tafeltje, sigaretten en een inhalator. 

Hij moet de verbazing, zo niet schrik, bij mij hebben afgelezen en nam prompt het initiatief. 

“Ja, ik ben vreselijk afgevallen. Van de stress. Mijn man heeft me gedumpt. We hadden net nog een leuke week op Sint Maarten gehad, vóór de coronacrisis. Hartstikke gezellig. Maar we waren koud thuis of hij deelde mee: ik wil je niet meer. En er viel niet over te praten. Hij heeft me alles afgepakt. Huis, inboedel, auto, alles. Dus ik kon helemaal opnieuw beginnen. Alléén!”

Alsof hij een emmer leeggooide. Ik wilde best geloven dat deze man om gezelschap verlegen zat, maar waar moest ik beginnen?

“Stress?” 

“Ja, wat dacht je dan?”

Ik wees op de inhalator en liet het woord corona vallen.

“Nee hoor, maak je geen zorgen. Ik ben niet besmet of zo. Wel onder behandeling, een longarts. Had allang moeten stoppen met roken, maar met al die stress lukt dat natuurlijk niet.”

Blijkbaar had hij niet de neiging doekjes te winden over ‘moeilijke’ dingen, zoals ik hier dagelijks meemaakte. En toen hij opmerkte dat ik ook zelf om koffie had kunnen vragen, was ik helemáál niet bang meer dat ik iets verkeerds zou zeggen. 

Niet zo lang geleden was hij door de verzekeraar naar Nederland uitgezonden voor een liesoperatie, maar die was goed gelukt en na een paar maanden herstel kon hij weer naar huis. Veel langer geleden had hij – in Almere –  een gezin gehad met een vrouw en twee dochters en, na een vroege pensionering, een relatie met een man die tot zijn grote spijt –  kort na hun huwelijk – overleed aan een hartstilstand. 

Zijn tweede, aanzienlijk jongere, man was hij op Tinder tegengekomen en dat ging zo goed dat ze besloten in gemeenschap van goederen te trouwen. Des te harder was het aangekomen dat hij zonder pardon op straat werd gezet en geen advocaat de pil kon verzachten.

Maar het ergste was voor hem dat nagenoeg alle vrienden en kennissen zich juist van hem hadden afgekeerd. Terwijl een van zijn dochters, ook met haar hebben en houden op Bonaire beland, hem al eerder uit haar leven had verjaagd. Af en toe kwam er een psychiater van het ziekenhuis langs, maar dat was een druppel op een gloeiende plaat.

“Ik probeer uit die dip te komen, maar het lukt me niet. Het is geen leven, zo in je eentje. Iedereen wil toch zeker af en toe tegen iemand aan liggen, niet? En samen aan tafel zitten, vooral ’s avonds. Sinds ik hier woon, heb ik nog nooit gekookt! Wil jij hier niet komen wonen? Ruimte zat.”

Bij die laatste vraag trok een grijns over zijn gezicht. Als een vorm van zelfspot kon de vraag er wel mee door, maar het leek me beter  eventuele verwachtingen direct de kop in te drukken. 

“Gelukkig heb ik eerder in mijn leven periodes meegemaakt, waarin ik op mezelf was aangewezen,” legde ik uit om mijn afwijzing kracht bij te zetten. “Jij niet?”

Nee, hij kon niet alleen zijn. Zo simpel was het. Was dat gezin dan een vergissing geweest en viel hij van kindsbeen af op mannen?

“Dat zie je verkeerd. Kennissen in Almere namen me een keer mee naar Amsterdam en zo leerde ik de herenliefde kennen. Het was vooral de áándacht die ik van mannen kreeg. Heerlijk! Heel anders dan bij vrouwen.”

Eigenlijk was de kous na een uurtje wel af, voor mij. Een man voorbij de zeventig kan zich sowieso beter niet al te veel illusies maken omtrent partners of relaties. Als dan bovendien de ellende op je lijf geschreven staat en je nooit goed hebt geleerd het, noodgedwongen of uit vrije keus, met jezelf te rooien…

Bij het afscheid, op weg naar de voordeur, liet hij zich ontvallen dat hij ook nog een zoon heeft. Biologisch gesproken. Een voorkind, zoals ze in Suriname zeggen. De ouders van het betrokken meisje wilden destijds niets van hem weten en dwongen hun dochter het kind af te staan. Vader en zoon hebben elkaar later alsnog leren kennen en de zoon heeft op een gegeven moment eveneens de nodige schepen achter zich verbrand om zich op Bonaire te vestigen, maar net als bij zijn halfzus hoefde pa ook bij hem niet aan te kloppen. 

“Gaan we elkaar vaker zien?” vroeg de man bij het hek, waar ik mijn fiets had staan. Zijn gezicht sprak boekdelen. 

“Je weet wie me heeft gestuurd. Dus geloof me maar, je bent nog niet van me af.”

Categorieën: Achtergronden

1 reactie

Karel · 23 november 2020 op 9:27 pm

Beste Theo, weer een prachtig verhaal! Echter, ik krijg je verhalen 5 keer… op zich niet erg, maar misschien iets fouts in de software? Hartelijke groet

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *