Blessing in disguise

nov 12, 2018 Blog post

Als ik de afgelopen jaren in Suriname één les heb geleerd, dan is het  dat je je leven maar moet zien als een kunstwerk waar je aan kunt blijven sleutelen, zolang je tijd van leven hebt. Maak er iets moois  van, zodat je er zelf trots op kunt zijn. Helemaal tevreden word je nooit,  want het is en blijft een werk-in-uitvoering. (Tenzij je op het idee komt zelf je levenseinde te bepalen, maar die stap is voor de meeste mensen niet weggelegd.)

Misschien is dit voor velen een open deur. Geen idee, voor mij in ieder geval niet. Mijn leven was in het begin vooral een opgave, een heilig moeten op weg naar een bestemming die anderen mij wezen. Ik moest, vonden zij, voor lief nemen wat me hier overkwam en had vooral de plicht te  vechten tegen ‘het kwaad’  in mezelf en om me heen. Dan kon ik rekenen op verlossing van de ellende op aarde en toelating tot een ander, mysterieus en tegelijk volmaakt, bestaan voor altijd.

Het leven als een homp klei, waar ik van alles van mocht maken en een eigen stempel op kon drukken ongeacht de mening van anderen,  was een langzame ontdekking die in Suriname in een stroomversnelling geraakte.

Toen ik vier jaar geleden – mijn zevende decennium in zicht – daar mijn heil zocht, was het de eerste keer dat ik uitdrukkelijk e-migreerde, dat wil zeggen mijn geboorteland verwisselde voor een heel ander land. Ik had wel vaker, voor korte of lange tijd, in het buitenland gewoond, maar nooit de deur demonstratief achter me dichtgetrokken. Laat staan me overgegeven aan bespiegelingen over het einde van mijn leven in dat andere land.

Vandaar dat een aantal implicaties pas tot me begon door te dringen, nadat ik me in mijn gemeente had laten uitschrijven en de oceaan was overgestoken. Waarschijnlijk is het eigen aan emigranten dat ze de uitwerking van zo’n beslissing nauwelijks kunnen overzien. Zou ik de stap niet hebben gezet, als ik te voren alles had geweten dat me later inviel en overkwam? Een retorische vraag ja, maar wel een die wijst  in de richting van het  begrip ‘kunstwerk’.  Onvoorspelbaarheid is immers ook kenmerkend voor het werk van al die beroepskunstenaars, althans de meeste?

Ze beginnen met een idee, als uitgangspunt voor iets dat ze willen maken, kiezen de nodige hulpmiddelen en gaan van start. Maar al gauw – tijdens het productieproces – vertoont het kunstwerk ook een eigen dynamiek. Nu eens heeft de kunstenaar dan weer het kunstwerk de overhand en uiteindelijk trekt gewoonlijk de eerste aan het langste eind door haar werk los te laten en aan derden prijs te geven.

Het leven als idee is nog wel te behappen, maar om er een beetje vat op te krijgen moet je alle zeilen bijzetten. Bovendien ben je er niet altijd even bewust mee bezig. Vandaar ook het woord levenskunst met betrekking tot mensen die erin slagen meer van het leven te genieten dan eronder gebukt te gaan. Maar die ‘kunst’ wil nog niet zeggen dat de betrokkenen hun leven ook zien als hun schepping.

Hoofdzaak lijkt mij een optimaal gebruik van je persoonlijk vermogen  er iets moois van te maken. Naar eigen maatstaven en behoeften. In vergelijking met andere levensvormen beschikken we nu eenmaal over bijzondere eigenschappen, zodat we geen genoegen hoeven te nemen met een louter instinctief of plantaardig bestaan, gericht op overleving en voortplanting.

Of  anderen dat moois onderkennen, is bijzaak.  Al ligt het voor de hand dat de maker als sociaal wezen daar rekening mee houdt. Maar hij kan zich daar beter niet al te veel aan gelegen laten liggen, want uiteindelijk heb je nooit in de hand of anderen iets mooi vinden of niet.

Ten tijde van mijn emigratie was het benul dat je je eigen leven kunt benaderen als kunstwerk,  bij mij slechts latent aanwezig. Ik  was best tevreden met mijn leven tot dan toe: een veelzijdige scholing, een boeiend en afwisselend (helaas voorbij) beroepsleven, kinderen (2) die zonder al te veel kleerscheuren de puberteit hadden overleefd, een appeltje voor de dorst (al was de verkoop van dat appartement nog niet rond), een goede gezondheid (sinds het volledig herstel van een voortijdig maar niet minder serieus reumatisch syndroom), dus weinig reden tot zelfbeklag.

Desondanks was ik ook uitgeblust, afgedankt, tot stilstand gekomen, berustend en passief. In mijn reflectieve buien betrapte ik me soms zelfs op de gedachte dat ik het niet erg zou vinden, als ik door de dood werd verrast. Ik zat  niet te wachten op een langzame, al of niet pijnlijke, aftakeling. Bovendien zag ik wel voordelen in zo’n einde vanuit het oogpunt van de nabestaanden, die daardoor gevrijwaard zouden blijven voor de later wellicht nodige mantel- en andere zorgen. Het was mooi geweest, ik had mijn tijd gehad. Welnu, daar heeft ‘Suriname’ me van genezen.  Op een nogal paradoxale wijze.

Naarmate de kijkjes achter de schermen en onder de oppervlakte toenamen, werd het vermoeden alsmaar sterker dat ik aan dit land niet zo gauw mijn hart zou verpanden. Dus als wissel op mijn  toekomst kon ik het beter uit mijn hoofd zetten. Maar op de een of andere manier maakte het ook een opstandigheid bij me los, die je eerder zou verwachten bij jongere generaties. Zo van: zijn jullie nou helemaal mesjokke enz. Ik moest me niet op mijn kop laten zitten.

Dat moet iets te maken gehad met een gevoel van afwijzing. Ik had namelijk aanvankelijk geloof gehecht aan het vrome praatje dat ik ‘met mijn achtergrond’ heel wat te bieden had. Maar al gauw kon ik niet meer om de muur van eenkennigheid en desinteresse heen. En  toen ik ging analyseren waar die vandaan kwam, kreeg ik pas goed in de gaten dat het verschil in referentiekader oneindig veel groter was dan ik me in mijn plannen had voorgesteld.

Het herinnerde me aan die andere periode in mijn leven, toen ook  alles wat vanzelfsprekend geworden was op losse schroeven kwam te staan. Kort na mijn studie, toen ik als correspondent van een aantal nieuwsmedia voor onbepaalde tijd  was neergestreken in ‘Afrika ten zuiden van de Sahara’. En was ik toen nog wel bereid en in staat allerlei meningen te herzien en mijn gedrag aan te passen, nu ging dat heel wat minder gemakkelijk. In beide gevallen echter, toen in Afrika en nu in Suriname, voelde ik me uitgedaagd en werd mijn creativiteit op scherp gezet.

Klaarblijkelijk was het met mijn leven nog niet gedaan. Er was gewoon werk aan de winkel. Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald, althans in mijn fantasie, de pijp aan Maarten te geven? Vandaar dat ik alles uit de kast haalde wat ik – als een schelpdier – had meegesleept  naar deze kant van de oceaan. En ik poetste mijn moerstaal, die hier door een gril van de geschiedenis had wortel geschoten, zo mooi op dat iedereen zich erin kon spiegelen. Take it or leave it was,  impliciet, mijn boodschap.

In het kielzog van die dadendrang kwam toen ook het leven als kunstwerk bovendrijven. Mijn leven met name, in de vorm van de weg die ik had afgelegd én de contouren van een vervolg naar een onzichtbare bestemming. Ga er maar aan staan! Dat heeft de confrontatie met Suriname me dus wel gebracht: iets om met voldoening op terug te kijken, ook op die laatste jaren, en het heldere besef  dat ik nog niet definitief de balans hoefde op te maken. Als een blessing in disguise, waar ik nieuwe energie uit kon putten.

Per slot van rekening heb ik die hard nodig gehad om een volgende stap te bedenken én uit te voeren. Je kunt je dan wel luchtvluchteling noemen en natuurlijk is dat een luxepositie in vergelijking met de woestijn-, bospad en bootvluchtelingen, die om heel andere redenen huis en haard hebben verlaten. Maar je komt wel telkens voor vergelijkbare problemen en keuzes te staan.

Wil ik hier zijn, voel ik me thuis, wie ben ik eigenlijk, wat kan ik vasthouden, wat moet ik loslaten, waar wil ik heen en waarom?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *