Als herboren komt Rinus weer tevoorschijn. Met alles wat hij daar nog had liggen, twee handen vol. Marc doet de inspectie en marcheert voorop naar de eetzaal.  

Maggie laat zich verontschuldigen, zonder opgaaf van redenen. Waarschijnlijk heeft ze de situatie heel goed aangevoeld: ze kan de twee nu beter aan hun lot overlaten.  

Marc is ook degene die Rinus erop wijst dat hij beter hier op het schip Lisa een berichtje kan sturen – WIFI is niet overal vanzelfsprekend – en hem herinnert aan de purser, bij wie hij zich zou moeten melden.  

Het blijkt een vrouw die niet zomaar iederéén te woord staat. Waar het om gaat, is de vraag van een bemanningslid bij de uitgang waar medepassagiers zich verdringen om een pasje te bemachtigen. “O, dat verandert de zaak, komt u maar mee.”  

“Het komt inderdaad wel eens voor,” zegt de purser tien minuten later. Alsof ze Rinus bij voorbaat, voordat hij zijn besluit heeft kunnen uitleggen, op andere gedachten wil brengen.  

“Nee meneer,” verklaart ze al gauw in een mengelmoes van Amerikaans en Dutch, “daar kunnen we niet aan beginnen. Dan moeten we iedereen die zich te laat bedenkt laten gaan, met een bonus toe zeker!”  

Marc springt meteen in de bres en benadrukt dat Rinus het echt niet kan helpen en hoe erg het juist is voor hem zelf.  

“Het moest de reis van zijn leven worden. Hij heeft niet voor niets zo’n dure hut gekozen.”  

“U moest eens weten hoeveel verliezen we de laatste tijd hebben geleden, alleen al door dat coronagedoe. Jullie mogen blij zijn dat we überhaupt in de vaart zijn.”  

Terwijl Marc nog praat als Brugman, houdt Rinus het voor gezien. Een vrouw met nepblond haar in een gesteven tropisch mannenpak is het laatste waar hij op zit te wachten. Hij heeft wel wat anders te doen!  

Hij stoot Marc aan: “Ga je mee?”  

De vrouw roept nog dat hij een formulier moet invullen, maar voordat ze ondersteuning heeft kunnen inroepen, maken de twee zich uit de voeten. Niets of niemand kan hen meer tegenhouden. Op de kade loopt Marc loopt nog even mee, tot de rij taxi’s aan de stoeprand. Het afscheid is kort maar krachtig. Ze hebben er beiden een vriend bij, Lisa kan trots op hen zijn.  

Marc is nauwelijks door de muil van het schip opgeslokt, of Rinus ziet, helemaal bij het begin van de rij, een figuur zijn kant op komen. Een chauffeur op zoek naar klandizie zeker. Type Afro, rasta zelfs, want wat kan hij anders in zijn nek hebben hangen dan dreadlocks?  

Het zangerig “Bonjour!” dat hem wordt toegeroepen wordt door Rinus direct beantwoord met de vraag, of meneer ook Engels kent.  

Ja hoor, geen probleem.  

“Naar het vliegveld?” is de wedervraag.  

Zo snel dat Rinus zich pas op de achterbank van de Peugeot afvraagt, hoe die man op dat idee komt. Cruisepassagiers die hier aan land gaan willen iets van het eiland zien, zou je zeggen.  

“Hebt u al een ticket, meneer?” is de volgende vraag. Weer alsof de man zijn gedachten kan lezen. Of is het nogal wiedes: mensen die hier aankomen per schip en per vliegtuig verder willen, hebben een nieuw ticket nodig?  

Rinus mompelt iets voor zich heen en maakt aanstalten in te stappen. Achterin. De chauffeur bergt de koffer op en zodra die ook zit, zoekt Rinus oogcontact via de achteruitkijkspiegel en antwoordt alsnog: “Nee, nog niet.”  

“Komt goed,” zegt de chauffeur. Meer niet.  

Rinus is allang blij. Hij moet nog bijkomen van het gesprek met de purser. Gedachteloos laat hij het groene landschap  aan zich voorbijgaan. Komt tijd komt raad.  

Een half uur later, na aankomst op het vliegveld, zet de chauffeur een tandje bij. Rinus schrikt en knijpt zijn ogen dicht, wanneer het portier openzwaait.  

“Gaat u mee? Ik zie het vliegtuig al staan. Inchecken zal geen probleem zijn, maar de douane kan even duren.”  

Rinus komt met moeite overeind. De chauffeur neemt de koffer voor zijn rekening en gaat hem voor naar de vertrekhal. Pas binnen bij de balie, waar een flinke rij klaarstaat, vindt hij zijn tong weer terug.  

“Naar Juliana Airport,” laat hij de stewardess achter het plexiglas weten.  

De chauffeur, die pal naast hem staat, hoort het niet vanwege de drukte of doet alsof. Wel vraagt hij of Rinus zijn creditcard bij de hand wil houden, waarop deze reageert met een tegenvraag: “Waar gaat dit vliegtuig heen?”  

De chauffeur kijkt verbaasd, alsof hij geen idee heeft waar dit op slaat. Tot de stewardess hem aanstoot – om het glas heen – en iets meedeelt in het Frans.  

De spanning valt weg en opeens is hij weer de coole gast met de slepende tred, die Rinus op de kade tegemoetkwam.  

“Vroeg jij me niet of ik ook Engels kon praten?”  

Rinus knikt instemmend.  

“Je moest eens weten wat ik nog meer wist. Het vliegveld op Sint Maarten heet Juliana en weet je dat jij daar vandaag wordt verwacht? Ik zou dus maar een beetje opschieten, als ik jou was.”  

Pas twee uur later, hoog in de lucht, gaat Rinus een licht op. Hij heeft al die tijd in de taxi zitten suffen! Hoe kon die rasta weten dat hij naar Sint Maarten wilde? Of had Marc de vorige dag toch en passant iets ingevuld op het internet en kwam dat vanmorgen bij die balie te voorschijn als een boeking? Zoveel andere vluchten zullen er niet zijn geweest.  

Hij duwt de schuif van het raampje naast zich omhoog. Het is nog volop licht? In welke richting vliegen ze eigenlijk? Zijn medereizigers liggen eensgezind te pitten, alsof hun een middeltje is toegediend. Hij kan zich niet herinneren dat er iemand is langsgekomen met eten of drinken. Een paar dagen geleden, op weg naar Florida, konden ze nog enigszins bewegen. Dit is pas echt haringen in een ton.

Hoe zou ze reageren? Dat hij nu al weer terug is en voor haar neus staat! Het is niet te geloven wat er in zo’n korte tijd kan gebeuren. Het was nota bene eergisteren dat hij bij haar de deur uitliep en met zijn rooie kop als een gek stond te zwaaien. Ja, zij had ook een kleur gekregen. Na de afscheidszoen, binnen, toen hij zei dat hij haar terug wilde zien. Al ziet dat er natuurlijk anders uit dan bij hem, met die perfecte huid van haar.  

Ze heeft niet geantwoord op zijn app van vanmorgen. Te druk zeker of weer geen WIFI. Hij kan beter uit zijn hoofd zetten dat hij wordt opgewacht. Dat moet die chauffeur op Guadeloupe uit zijn duim hebben gezogen. Aan taxi’s geen gebrek en dan moet het heel gek lopen, wil hij de salon niet kunnen terugvinden.

Categorieën: Feuilleton

0 reacties

Geef een reactie

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.