De middag verstrijkt als een regenachtige zondag in januari: er komt geen einde aan. Wat vanmorgen vroeg nog zo bijzonder was, het wakker worden midden op zee, met twee patrijspoorten, een op het noorden waarvandaan ze gekomen waren en een op het oosten waar de zon opging, de aankomst in de Grote Baai, zijn eerste schreden op een tropisch eiland lijken nu een eeuwigheid geleden of, nog erger, een droom die hem niet meer kan boeien.

Het eten in de eerste de beste hamburgertent die hij in het Atrium kon vinden is geen succes en wat hij sindsdien verzint om de tijd door te komen kan hem evenmin bekoren. Het zwembad op het bovendek met de enorme glijbaan dwars door een meters hoge nepjungle, de winkels, café’s, theaters, fitnessruimtes, zelfs het intieme zaaltje voor geestelijk welzijn, hij ruikt eraan, houdt het even vast, maar laat het al gauw weer achter zich. Hij moet zich bedwingen om niet vaker dan om de tien minuten op zijn telefoon te kijken. Of ze al een appje heeft gestuurd of een ander teken van leven achtergelaten.

Natuurlijk moet hij haar nu met rust laten. Van dagen als deze, met een paar schepen tegelijk in de haven, moet ze het hebben. Elke toerist is er een en de concurrentie zit niet stil. Het zal niet altijd even leuk zijn wat ze van haar willen of verwachten. Hij moet afwachten.

Terwijl hij voor de zoveelste keer over de hoogste reling hangt die hij vinden kon, met uitzicht over de hele promenade langs het strand, en zich al een paar keer is rot geschrokken van de scheepstoeter, gaat zijn telefoon. Marc!

Zij zijn ook weer aan boord, net op tijd. Nee, de afspraak voor vanavond in de dining room gaat niet door, vriendin Maggie is helemaal kapot en zet geen stap meer. Hij heeft eten besteld, room service. Maar later op de avond moeten ze elkaar wel even zien. Zelfde tijd, zelfde plaats.

Hij hield het in zijn hut niet meer uit en zit al een uur in het casino aan de bar, wanneer Marc aan komt zetten. In een flitsend tropenpak. De vrouw die vroeg of ze naast hem mocht zitten en op zijn kosten al een tweede drankje heeft besteld, is meteen verkocht.

Maar Marc praat gewoon Nederlands en doet of ze lucht is, met zijn rug naar haar toe.

“En, had ik gelijk? Of heb je haar niet kunnen vinden?”

Hij ziet de barman naderbij komen en knikt slechts. Naar eigen schatting is hij de oudste in dit gezelschap, dus laat hem dan ook maar meteen de wijste zijn.

“Kom, Marc, we gaan ergens anders zitten. Waar het rustig is. Ik reken hier wel af.”

De vrouw blijft achter, Marc en hij lopen naar de hoek, waar ze gisteren zijn doorgezakt. Marc kijkt nog een keer om, alsof hij iets is vergeten.

“Ik had haar gisteren al bezig gezien,” legt hij uit met een grote grijns.

Rinus komt even in de verleiding om Marc uit te horen, over hem en Maggie, zijn omgang met vrouwen en zo voort. Alsof hij zich opeens geen raad meer weet met wat hem is overkomen of bang is voor het oordeel van een vreemde. Maar hij heeft toch niet voor niets de godganse middag op dit maffe schip rondgehangen, als een bokser in de touwen? Marc weet over wie het gaat, heeft goede herinneringen aan haar en is dus terecht nieuwsgierig. Met wie anders zou hij beter kunnen teruggaan naar het eerste deel van de dag, nagaan wat er is gebeurd en wat hij daarmee aan moet?

De eerste tien minuten heeft Marc nog de neiging hem te onderbreken, omdat ze 24 uur geleden niet eens wisten van elkaars bestaan en hij meer uitleg nodig heeft om bepaalde zaken te begrijpen. Maar naarmate hij door heeft dat zijn reisgenoot zich van een nieuwe, bloedserieuze, kant laat zien, wordt hij stiller. Tot hij vertelt van zijn terugkeer aan boord van het schip, toen zijn stemming omsloeg van extase in een klotegevoel.

“Weet je, Rinus, wat er met jou aan de hand is?” roept Marc, zo luid dat ze allebei om zich heen kijken. Niet eerder heeft hij hem zo onomwonden en hartgrondig met zijn voornaam aangesproken.

“Zeg het maar.”

“Je bent gewoon hartstikke verliefd, man. Begrijp je dat niet?”

Marc kijkt hem recht in het gezicht om zijn woorden kracht bij te zetten.

Rinus slaat een hand voor zijn mond en kijkt omlaag, naar de lage glanzende tafel met de glazen bier. Vanuit de hal bij de ingang, waar de speelautomaten staan, komen de kreten van mannenstemmen, die smoren in het muzikaal behang waar casino’s patent op hebben.

“Ieder mens is anders, maar ik heb het toevallig niet zo lang geleden weer een keer meegemaakt.”

“Met Maggie, bedoel je,” vraagt Rinus meteen.

“Nee, man. Dacht je dat echt?”

Hij begint te lachen en Rinus lacht met hem mee, maar niet van harte.

“Het was snel voorbij, hoor,” legt Marc uit, “maar wel heftig. Ik bedoel, als je het echt te pakken hebt. Dat je maar aan één ding kunt denken. Liever gezegd: één persoon. Dan word je gek van jezelf, weet je.”

“Je bedoelt als jij niet aan haar verwachtingen kunt voldoen?” vraagt Rinus.

Hij moet denken aan die ene keer, toen hij meende eindelijk ook eens de hoofdprijs gewonnen te hebben en er he-le-maal naast zat.

“Zoiets ja. Ik probeerde van alles, maar ze wist heel zeker dat het met mij niks zou worden. Dan heb je gewoon het nakijken, toch? Onbegonnen werk!”

Het staat op zijn gezicht te lezen hoe hij zich toen voelde en Rinus vraagt zich af, of hem ook zoiets te wachten staat.

“Wat denk je, als je dit zo hoort? Je kent Lisa of je hebt in ieder geval een idee. Denk je dat zij mij ook leuk vindt of, hoe moet ik dat zeggen?”

Er valt weer een stilte.

Stel je voor dat Rinus de liefde van zijn leven heeft ontmoet. Je weet het nooit. Okay, Lisa had hem die keer ook te pakken, maar dat kwam door de happy ending zonder dat hij iets hoefde te vragen. Dat was destijds op die eilanden echt niet de gewoonte. Misschien was ze het vanmorgen ook helemaal niet van plan. Of Rinus heeft zelf de boot afgehouden, omdat het niks voor hem is.

“Weet je, waarom ik zo te spreken was over haar?”

“Ik geloof het wel, ja.”

Marc moet opeens aan zijn eigen vader denken. Al een tijdje dood, maar toch. Met hem heeft hij nooit zo zitten praten als met Rinus nu. Het kwam niet eens bij jou als zoon op, dat zoiets mogelijk was.

“Het ging vanzelf,” denkt Marc hardop. “Ze maakte nergens een punt van, ze deed het gewoon. Ik vind het lekker als ze aan me zitten, me opgeilen, klaar maken. En dan net zo lang doorgaan tot je zowat ontploft. Ken je dat?”

Hij pakt zijn glas vast en neemt bedachtzaam een paar slokken, tot het helemaal leeg is.

“Mooi gezegd,” antwoordt Rinus, “maar eerlijk gezegd, ik weet niet… Masseren is prima, waar ze maar wil en hoe ze maar wil, ik vind ook alles best. Maar klaar komen zonder te vrijen en haar dan laten toekijken, nee. Ik kon dat niet over mijn hart verkrijgen. Of het een of het ander, denk ik dan. Met vrijen ben je lekker met elkaar bezig en wil je allebei klaar komen. Niet soms?”

“Ik vind het helemaal niet erg om zo klaar te komen,” legt Marc uit. Ik ben niet gekomen om met haar te vrijen. Stel je maar voor: hoeveel van die massages heeft ze niet per dag of, voor. mijn part, per week? Dat doet ze om geld te verdienen, niet om klaar te komen.”

“Goed, dat zal wel,” geeft Rinus toe. “Maar ze stelde me zo op mijn gemak, over van alles hebben we het gehad…”

Hij heeft de neiging zichzelf te herhalen. Met andere, betere woorden, om Marc ervan te overtuigen dat de vonk van beide kanten kwam.

“Heb je niets met haar afgesproken?” vraagt Marc opeens.

“Dat zei ik toch? Ze zou me appen, ik heb haar kaartje.”

“Maar wat wil jij? Zij denkt gewoon: hij gaat terug naar zijn schip en dat vaart weer verder, naar een ander eiland. Zo zijn ze het hier gewend.”

En er meteen achter aan, met meer nadruk: “Als je haar echt echt wilt, wat doe je hier dan nog? Een beetje ouwehoeren met mij. Dan zat je toch daar, bij haar.”

Als door een wesp gestoken springt Rinus overeind.

“Ik ga haar nu appen. Waar is dat ding?”

Marc schiet in de lach en drukt hem terug in zijn zetel.

“In je hut natuurlijk. Gisteren had je het ook niet op zak. Doe dat straks maar. Ze ligt allang te slapen, morgen ben je de eerste. Kom we nemen er nog een, op de goeie afloop.”

Categorieën: Feuilleton

0 reacties

Geef een reactie

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.