“De dokter, wat een verrassing!”

 Ik zit op een te kleine handdoek een onhandelbaar mandarijntje te pellen en pest de blèrende meeuwen boven mijn hoofd die duiken naar het oranje afval. 

Hoe gaat zoiets? Je bent in gedachten verzonken en toch houdt een of ander zintuig je omgeving in de gaten. Ik keek opzij en omhoog en toen ze met haar rechterhand een zonnebril afzette, wist ik wie ze was. De gespannen teugel in haar linkerhand leidde naar een grote bruine hond, die nu – op ooghoogte – heel goed door heeft wat hij van mij kan verwachten.

“Je bent toch niet bang voor honden?”

“Nee hoor, ik ben wel gewend dat mensen met honden langskomen. Hier aan zee.” 

Eigenlijk heb ik alleen een bloedhekel aan waakhonden, maar die worden natuurlijk nooit op zo’n plek gezellig door hun baasje uitgelaten. Of het beest naar eigen goeddunken mij als gezelschap heeft uitverkoren of dat haar een licht is opgegaan en ze besloot geen wijde bocht om me heen te maken, laat zich raden. 

“Hij is erg nieuwsgierig, hoor!” 

Ik onderga zijn gesnuffel en doe een aaipoging.

“Ik heb je wel eerder gezien, vanuit de auto.” 

Haar hand wijst in de richting van een jeepachtig voertuig een stuk verderop, aan de kant van de weg.

Ik ken haar als iemand een kop kleiner dan ik, met een prettig gezicht en in een lange witte jas. Nu is ze een stel slanke benen, dat omhoog steekt en wordt bekroond door hotpants zonder rafels. Tussen hals en middenrif fladdert een bloesje. Alsof honderden, zo niet duizenden, stagiaires van de afgelopen jaren tussen Paramaribo en Willemstad in één flits aan me voorbijgaan. 

“Dat kan kloppen, ik kom hier vaak.”

Ik pauzeer heel even en krabbel overeind. Ze mag me niet  ontsnappen.  

“Maar ik ben nog nooit zo snel uit het water gekomen als deze keer. Het stikt van de kwallen. Ik dacht eerst nog dat het plastic zakjes waren. Tot ik telkens donkere stippen zag, drie of vier tegelijk. Net ogen, die maar niet wilden wijken.” 

“O ja?”

“Ja, overal om me heen. Niet alleen in open water, ook tussen het koraal. Dat heb ik nog nooit meegemaakt, in deze zee. U wel?”

Ik kan niet uit de reactie opmaken of ze mijn ervaring herkent, laat staan of die enig medeleven oproept. Wie weet heeft ze helemaal níets met de onderwaterwereld. Mensen komen op dit eiland om zeer uiteenlopende redenen. Wat weet ik van haar? Behalve dat ze me deze  week nog heeft gebeld.

“Hebt u iets van die uitslag gehoord?” 

Prompt geeft de hond een ruk aan de riem. Ze doet een stap in mijn richting om haar evenwicht te herstellen. 

“Ach, je weet hoe dat gaat. Het ziekenhuis…”

Zal ik me bukken om hèm nog wat aandacht te schenken? Soms helpt dat, heb ik geleerd, om het baasje gunstig te stemmen.

Ze laat een snelle blik glijden over het water en maakt een halve draai, richting auto. Het dier trekt opnieuw het leidsel strak. Het kent zijn plek en ik de mijne.

Ik bespaar haar een blik in de rug en raap mijn spullen bij elkaar. Een half uurtje lopen, de zon zal het niet lang meer maken. In de regel spreken vreemden je niet aan, wanneer je alleen bent. Langs de weg of aan het strand. Het zag ernaar uit dat de dag zou eindigen zonder een ontmoeting, met wie dan ook. Zo zie je maar weer: je weet nooit hoe een koe een haas vangt. 

Categorieën: Blog post

2 reacties

Emma · 24 april 2021 op 5:44 pm

Gelukkig heb je alleen een bloedhekel aan waakhonden 🙂 mooi stuk!

    Theo Ruyter · 25 april 2021 op 3:34 pm

    Ben heel benieuwd naar jullie schatje, hoor!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *