Een blog van Theo Ruyter

Theo was de eerste Nederlandse correspondent in Afrika, heeft diverse boeken geschreven en op verschillende plekken in de wereld gewoond.

Schrijver

Retourtje Afrika, Requiem voor de Hulp en De Blauwe Neger - Theo heeft diverse boeken geschreven.

Afrika correspondent

Theo was de eerste Nederlandse correspondent in Afrika, ten zuiden van de Sahara.

Wereldreiziger

Theo woonde in verschillende landen en is recent vanuit Suriname naar Bonaire verhuisd.

Over Theo Ruyter

Lees meer over zijn achtergrond, zijn reizen, zijn schrijversleven en zijn huidige leven in Bonaire.

Lees meer

Publicaties

Theo Ruyter publiceerde eerder in diverse kranten en magazines.

Parbode

De Ware Tijd

NRC Handelsblad

Boekrecensies

Theo Ruyter publiceerde meerdere boeken en ontving diverse lovende recensies.

‘De koe lacht niet meer’ bevat mooie observaties, onvergetelijke verhalen en brieven aan ondermeer voormalig ontwikkelingsminister Eveline Herfkens. Cynisch is Ruyter nooit. Zijn wens om eindelijk ook Afrika te laten profiteren van de vrije markt en om gezamenlijk verder te komen is op elke pagina voelbaar.

client
Wereldburgers.tv

Retourtje Afrika is een novelle met inhoud. Door het verhaal van een vader met puberproblemen naar Tanzania te verplaatsen, verandert alledaags ongenoegen snel in een nachtmerrie. Theo Ruyters kennis van en liefde voor Tanzania spat van iedere pagina af. Nu is het wachten op zijn roman. Zijn pen is er in ieder geval klaar voor!

client
Literatuurplein.nl

Laatste artikelen

Vind hieronder de laatste publicaties van Theo Ruyter; over Bonaire, Nederland en de rest van de wereld.

Beterbestseller

Zijn verblijf in Europees Nederland zat er bijna op. Nog een laatste rondje door het dorp. Postzegels moest hij hebben. 

Het was een winkel in de non-foodsector waar van alles te verwachten viel en die in ieder geval ook dienst deed als postkantoor. In een tijd waarin je mensen nog een plezier kon doen met een boek, in plaats van de obligate doos sigaren dan wel een bloemetje of sterke drank. 

Om bij de kassa te komen moest hij zich langs een boekenstandaard wurmen, die bijna even hoog was als hij lang. Het aantal wachtenden kon hij tellen, toen zijn hoofd met een ruk opzij vloog en hij werd gegrepen door een uitvergroot vrouwenoog, donker glanzend te midden van wazig roze bladeren. 

Van de schrik bekomen kwam hij dichterbij, zodat hij de titel kon lezen: De eenzaamheid van de priemgetallen. Meteen moest hij denken aan zijn collega Henk, die hem bij zijn vertrek had uitgenodigd op zijn verjaardag. De man gaf wiskunde, dus iets met getallen zou hem vast wel interesseren.

Hij rekende een vel van tien zegels af, met de beeltenis van koningin Beatrix, en kon tegelijk voor het boek betalen. Als hij maar niet van  haar, de kassajuffrouw, verwachtte dat ze het ook nog zou inpakken. Dus stopte hij haastig de postzegels in het boek en nam hij het mee onder zijn arm.

Bij het uitpakken, na thuiskomst op Bonaire, kwam hij het boek weer tegen en vertelde hij zijn vrouw wat hij daarmee van plan was. Maar die keek ernaar alsof ze haar handen vies maakte en gaf het meteen weer terug. Bovendien kon hij die verjaardag wel uit zijn hoofd zetten, zei ze, want de oudste van Henk had een ongeluk gehad had en lag in het ziekenhuis. 

Zo kreeg het boek als nieuwe bestemming de onderste la van het dressoir in de zitkamer. En daar kwam het pas in 2020 weer uit, toen de  gezaghebber zijn onderdanen had gemaand zo veel mogelijk thuis te blijven en ook in dit huis de opruimwoede was doorgedrongen die van de virusnood een deugd moest maken. Omstreeks Pinksteren kwam tenslotte de behulpzame buurvrouw Sabine op een lumineus idee.

(Tweede zaterdag van juni)

Eindelijk mag de wekelijkse verkoop van tweedehands spullen aan de Simon Bolivarstraat in hartje Kralendijk worden hervat. Dus staat ook de zware deur van de boekenloods wijd open. 

Vóór ik naar binnen ga, check ik of de prijs per boek soms omhoog is gegaan. Ja, met 25 procent, dat wil zeggen nog steeds ver beneden het niveau van de enige min of meer echte boekenwinkel op het eiland, die ook een allegaartje tweedehands heeft staan. 

Twee mensen zijn in het voorste deel van de pijpenla in gesprek. Ik treuzel, want juist daar zijn eventuele nieuwe aanwinsten te vinden en die zoek ik het liefst in mijn eentje. Zodra het stel verdwenen is, dwaalt mijn blik van de eerste hoge kast met schappen aan de linkerkant naar een lagere, waar ook boeken bovenóp liggen. 

Paolo Giordano… De eenzaamheid van… Noch de naam noch de titel kon ik destijds onthouden, al kwam ik ze om de haverklap tegen. Het was een droomdebuut, ook buiten Italië, maar om de een of andere reden kwam ik er niet toe het te kopen of te lenen. Dit exemplaar ziet er splinternieuw uit… Als iemand het per ongeluk heeft laten liggen, heeft die er meer recht op dan ik. 

Ik ga verder met zoeken, maar kan me niet meer concentreren. Het is een kwestie van nu of nooit. Nog één keer kijk ik om me heen voor ik buiten bij de marktmeester doodgemoedereerd een en een kwart dollar neertel, alsof het een waterijsje betreft. Pas thuis, waar ik als een trotse kat mijn prooi aan een nader onderzoek onderwerp, komt een vel met acht resterende postzegels van een euro te voorschijn. 

Ik heb het boek een maand laten liggen. Vooral om mijn leeslust aan te wakkeren en mijn hoge verwachtingen in te lossen, maar misschien ook wel om me in te dekken tegen teleurstelling. De ene bestseller is immers de andere niet. Maar die twijfel is ongegrond gebleken en mijn geduld dubbel en dwars beloond. 

Het verhaal van Alice en Mattia, die allebei in hun jeugd iets verschrikkelijks hebben meegemaakt waar ze hun hele latere leven onder gebukt gaan, is onvergetelijk. En het wordt zó akelig precies uit de doeken gedaan dat je het woord voor woord en zin voor zin, in alle zeven episodes tussen 1983 en 2007, voor waar aanneemt. Als een koorddanser blijft Giordano het tweetal trouw en láát hij hen dat leven leiden, ook al is het in de ogen van miljoenen lezers ondraaglijk. 

Doornen 2.0

Een betere tegenpool van de plastic walvis op het droge, waar ik eerder op stuitte tijdens mijn recente verkenning van Curaçao, was ondenkbaar. In het begin van het jaar had ik er iets over gelezen, in een krant uit Willemstad: de opening – of inwijding – van een kerk die hélemaal was opgetrokken uit het hout vol doornen van een gewas (wabi) dat het hele eiland had overwoekerd en waar slechts geiten raad mee wisten. Hoe was dat in godsnaam mogelijk? De foto’s die erbij stonden boden me te weinig duidelijkheid, ik moest en zou dat zelf gaan zien. 

Mijn eerste plan, een weekje in april, werd doorkruist door een pandemie waar geen normaal mens op rekende. Maar toen het luchtruim hier in de buurt weer veilig verklaard was, stond ik vooraan en twee weken geleden was het zo ver. Op het terrein van het Landhuis Bloemhof, dat sowieso zijn reputatie eer aandeed met een tentoonstelling van werken die tijdens of onder invloed van de voorbije lock down waren gemaakt. 

De overweldiging die ik, geloof ik, had verwacht – alsof ik een enorm door Christo omwikkeld historisch bouwwerk tegemoet ging – viel een beetje tegen. Te meer omdat we vrijwel meteen werden opgevangen door de ontwerper en maker Herman van Bergen, met een minicollege over wat hem allemaal had bewogen en wat voor voetangels en klemmen hij de afgelopen jaren was tegengekomen. Maar, in tweede instantie, waren het ontzag en de  bewondering er niet minder om. 

In de symboliek van het christendom – denk aan de kruisiging van Jezus en het met doornen gekroonde hart van de latere Jezuïeten – weerspiegelen doornen van oudsher het menselijk leed dat Jezus op zich nam en met liefde beantwoordde. Wat dat betreft was het voor mij geen verrassing dat Van Bergen in Nijmegen bleek te zijn geboren (1953). Zoals hij zelf beaamde, had hij die symboliek van huis uit meegekregen.  

Het klinkt ook niet zo gek dat het eiland zich met de wabi wilde beschermen tegen nieuwe indringers, nadat Spaanse veroveraars korte metten hadden gemaakt met de oorspronkelijke Caiquetio. Maar je moet er maar opkomen dat je dat gewas ook als bouwmateriaal kunt gebruiken en dat daaruit vormen kunnen ontstaan die mensen raken, betoveren en aan het denken zetten, kortom kunst. 

Het begon bij Van Bergen met handzame sculpturen waar dag- of kunstlicht doorheen stroomde. Tot hij een schets maakte van een rotsformatie elders op het eiland genaamd El Indjian waarin je het profiel kunt zien van een oorspronkelijke bewoner, om die in hetzelfde materiaal op ware grootte na te maken. Dat is nu, tien meter hoog, het ’dak’ geworden van de Kathedraal van Doornen, een labyrint van muren en gangen, verbonden met bogen die herinneren aan de grote wereldgodsdiensten, op een stuk bosgrond van 20 bij 20 m. 

De fundering is van beton, het geraamte van staal en voor de opvulling en aankleding zijn 2100 ‘blokken’ van wabi nodig geweest. De takken voor die blokken zijn geoogst aan de noordkust, vervolgens voorgezet aan geiten die er feilloos de blaadjes vanaf hebben gegeten, in mallen geperst voor de juiste maat, overgoten met lijm en na het drogen gevernist. Niet onbelangrijk is de ingenieuze ledverlichting, die met behulp van spiegels het bouwwerk ’s nachts in goud verandert. Bovendien zijn in de meeste muren nissen uitgespaard voor de tentoonstelling van relatief kleine beeldende kunst van meewerkende kunstenaars, in de meest uiteenlopende stijlen. 

Als klap op de vuurpijl trad daar die zelfde dag, na het vallen van de avond, Yumarya Grijt op met haar combo. Onder het motto Music & Art Heal All Wounds. Een van haar nummers was Bésame mucho. 

Dus zoek dat nummer op – de versie van Cesária Evora is ook prima – en klik op de site cathedralofthorns.com onder Recent Posts de ’documentary’ aan van Caribbean Legacy. Dan kan je weekend niet meer stuk. 

Walvis op het droge

Curaçao, kroonjuweel van het Koninkrijk der Nederlanden in De West, ligt op apegapen. Sinds de raffinaderij van Shell in een sterfhuis veranderde is het bergaf gegaan, al werd dat aan het zicht onttrokken door de vlucht in het massatoerisme. Nu  de coronacrisis er een schep bovenop heeft gedaan, komt de onderste steen boven. 

Een walvis op het droge: niet in staat om op eigen kracht het ruime sop terug te vinden en onbereikbaar voor de oceaan die haar nog van een wisse dood zou kunnen redden. Dat beeld drong zich op, toen ik de afgelopen week aanreed op de  Curaçaose vestiging van Sambil, een Caribische keten van winkelcentra, in de buitenwijken van Willemstad. Gebouwd en opgetuigd in de vorm van een vis. 

De securitydame onderaan de buik van het monster, vanuit de lucht gezien, stond erop dat ik mijn fiets zou neerzetten op de motorcycle parking space, ver weg. Onder het doorzichtige dak tussen kop en staart liggen dicht opeen zes bioscopen, 26 restaurants en 190 andere gelegenheden die in velerlei noden en behoeften voorzien. 

Beslist, zoals Sambil het op zijn site voorspiegelt, a unique experience. Ook op die regenachtige dinsdag, al was het maar vanwege de verbluffende kloof tussen vraag en aanbod, want ik had sterk de indruk dat de meeste medeaanwezigen slechts bezig waren op de een of andere winkel te passen. Wie weet hebben de bazen van meet af aan geaccepteerd dat hun witgewassen geld nooit zou worden terugverdiend.

Acht jaar geleden kon het overwegend Venezolaanse concern met de bouw beginnen en drie jaar later zwaaiden de poorten open. Dankzij plaatselijke machthebbers met diepe zakken die de hele middenstand van Punda en Otrobanda aan hun laars lapten. Zelfs het argument dat cruisetoeristen massaal de taxi zouden pakken om zich aan dit wereldwonder te vergapen, slikten ze voor zoete koek. In dat opzicht staat Sambil Curaçao niet alleen model voor het korte termijngewin van een handvol ondernemers, maar ook voor het gebrek aan visie van het openbaar bestuur. 

Tien jaar geleden, toen de Nederlandse Antillen als staatkundig verband ten onder gingen, koos de elite uitdrukkelijk voor autonomie in eigen kring, dat wil zeggen de status van ‘land’ zonder zelf de implicaties goed te doorgronden. Als een speelbal op de baren van de wereldeconomie. Typerend is de onbeholpen manier waarop zowel politici als vakbonden de afgelopen jaren vertrouwden op de ene na de andere ‘zakenpartner’ met het oog op een doorstart van genoemde raffinaderij. Een doorlopend treurspel, met nota bene de Groep-Klesch als laatste strohalm… 

Ondertussen is het oude verdienmodel van het eiland, waarin olie en olieproducten een aparte plaats innamen, nog verder uitgehold. Een normaal ‘land’ probeert tenminste zijn handelsbalans enigszins op orde te krijgen, maar daar is geen sprake van. In 2017 beliep de officiële export 186 miljoen, tegenover 2.275 miljoen aan importen. Geen haan kraait ernaar, al hebben ook de inkomsten uit het toerisme niet kunnen verbloemen dat het eiland op te grote voet leefde. Nu ook die bron voor onbepaalde tijd is weggevallen – althans grotendeels – is de ontreddering ongekend.

De oplossingen die langzamerhand in de media bovendrijven variëren van ‘laat ons asjeblieft een provincie worden binnen het Rijk’ tot ‘Nederland moet ons ruimhartig ondersteunen, zoals wij hun in de oorlog en tijdens de watersnood hulp geboden hebben’. Gewelddadige relschoppers kunnen niet op veel begrip, laat staan openlijke steun rekenen. Al gonst het van geruchten over buitenlandse provocateurs en blijft de onderklasse van werkelozen en illegalen sowieso een tijdbom. 

Met terugwerkende kracht komt de keus van de drie minst  bevolkte Antillen van tien jaar geleden, voor inlijving als openbaar lichaam in het Nederlands staatsbestel, in een ander daglicht te staan. Maar de machthebbers op de grote drie houden die optie zo lang mogelijk vóór zich.

Daarentegen heeft de regering in Den Haag zich met zijn onvoorwaardelijke noodhulp ruimte verschaft om wel eisen – hervormingen met name – te verbinden aan vervolgsteun. Dus  haar partners zijn aan zet. In de wetenschap dat de houdbaarheid van een een walvis op het droge beperkt is. 

Eerlijk wezen

Laten we eerlijk wezen. Het valt niet mee, wanneer je als mens die er al driekwart op heeft zitten, door een meisje zo oud als je gedroomde kleindochter aan de dijk wordt gezet. 

Beste Theo, stond er boven het mailtje van een mediabedrijf waar ik al jaren ‘lid’ van was.

‘Onder het artikel van Rxxxx en Vxxx heb ik een bijdrage van jouw hand verwijderd (weergave van mijn tekst) Op Dx Cxxxxxxxxxxxx willen we graag een informatief en constructief gesprek voeren. Dat doen we door relevante kennis met elkaar te delen, om zo meer inzicht te krijgen in het onderwerp ter sprake. Jouw bijdrage voegt dit niet toe aan het gesprek. Niet alleen dat, het speelt ook op de man en vrouw. Ik reken op je begrip voor mijn overwegingen.’  Aldus een medewerker met de titel ‘gespreksredacteur’.  

Nadat ik, ook per mail, had aangedrongen op inhoudelijke argumenten, volgde nog een verwijzing naar ‘punt 9 in onze regels’ en ‘samenspraak met de hoofdredactie’, waaraan de boodschapper zelf de conclusie verbond dat ik dus nergens in beroep zou kunnen gaan. Einde verhaal.

En dan te bedenken dat ik me keurig had uitgedrukt, in tegenstelling tot ‘de gesprekken’ in het Engelstalig filiaal waar men elkaar – onder het oog van een andere conversation editor – ongestoord voor rotte vis uitmaakt.

Waar ging het om in mijn geval?

Om een explainer van twee medewerkers over ‘institutioneel racisme’, waarin naar aanleiding van ophef over de dood van een Afro-Amerikaan in Minneapolis (VS) het bedrijfsstandpunt op dit vlak nog eens uit de doeken werd gedaan. Ik had daar eerder, vergeefs, kanttekeningen bij geplaatst en kon uit deze compilatie opmaken dat men nog altijd blind voer op de eenkennige en exclusieve zienswijze naar Amerikaans model. 

Vandaar deze keer een meer sarcastische toon in de trant van: ga vooral door je eigen gelijk erin te rammen want het Nederlandse volk is nu toch al gevloerd door het coronavirus. Wie weet kreeg ik daarmee alsnog voor elkaar dat ergens iemand mijn afwijkende mening in overweging zou willen nemen.  

Dat was evenwel buiten de waard gerekend. Mijn laatste kans werd om zeep geholpen met het middel dat in ongelijke machtsverhoudingen vaak het eerst de kop opsteekt: censuur. Baas boven baas, geen vuiltje meer aan de lucht. Met als toppunt van ironie dat een van de actoren in dit treurspel op de loonlijst staat als ‘correspondent vooroordelen’. 

Dan kun je twee dingen doen: trekken aan een dood paard of bakens en zinnen verzetten. De voorwaarden om het sowieso neppe lidmaatschap op te zeggen bleken inmiddels veranderd, maar ik heb doorgezet en ook in dat opzicht mijn verlies genomen. 

Goddank, want van de lessen die zich uitkristalliseren is misschien wel de belangrijkste dat je niet voorzichtig genoeg kunt omspringen met het woord racisme. Omdat dat veel meer is dan de aanduiding van een wereldwijd  voorkomende aandoening. Zo dringt zich de vergelijking op met het coronavirus: het kan onverwacht overal opduiken en er is geen kruid tegen gewassen. 

Natuurlijk moet je de vinger leggen op discriminatie in de zin van de ongelijke behandeling van mensen in het openbare leven en kun je je afvragen, of de overheid de burger ook in diens privéleven daarop moet aanspreken. Maar dat is precisiewerk en niet van dik hout zaagt men planken. De pleuris breekt geheid uit, wanneer een groep mensen de eigen hebi opblaast en een andere het stigma bezorgt van De racist die het allemaal op zijn geweten heeft.   

Ik denk in dit verband ook aan de tweede wereldoorlog, als een vóórtdurende waarschuwing aan het adres van ieder weldenkend mens ten aanzien van demagogen die de racistische kaart trekken. En aan de jaren zestig en zeventig, toen jongeren in Nederland luiken en deuren opengooiden en de wijde wereld introkken. Zij zetten in Nederland ‘Afrika’ op de kaart en legden ook de grondslag voor een beweging die – moeizaam en bij vlagen zeer heftig, maar helder en effectief – de strijd aanbond met de apartheid. Nelson Mandela liet zich niet voor niets al kort na zijn vrijlating toejuichen op het balkon van de Stadsschouwburg in Amsterdam. Dat was deze maand dertig jaar geleden.

Misschien heb je daar geen boodschap aan, omdat je toen nog niet geboren was. Of is de boodschap ‘vanzelf’ verstomd, irrelevant geworden, zoals zoveel in de geschiedenis. De smoes om een ander niet aan het woord te laten is altijd gauw gevonden. Maar als de kuddegeest je noopt informatie van buiten je bubbel te negeren en aan derden te onthouden, is die bubbel wel erg troebel geworden.

Gebakken lucht

Eén ding heeft het dagelijks bestuur van het eiland Bonaire goed geregeld en dat is de manier waarop het zichzelf verkoopt. Altijd netjes èn kleurrijk gekleed, het gezicht in een blijmoedige plooi en niet te beroerd voor een kwinkslag. Dat culmineert in de glossy Bon Bini Bonaire, geproduceerd door het reclamebureau ADCaribbean BV en uitgegeven door het Kabinet van de Gezaghebber. Eind afgelopen maand verscheen het vierde nummer (zomer 2020 – nr 1). 

Het blad heet ‘bedoeld voor iedereen die geïnteresseerd is in Bonaire en zijn inwoners’, aldus het Colofon. Dat klinkt alsof het gaat om voorlichtingsmateriaal, dat elke overheid haar burgers en derden behoort te verschaffen. Des te meer verwonderlijk is het dat het blad nog altijd in eilandelijke kring niet blijkt doorgedrongen. 

Op zoek naar een papieren exemplaar kreeg ik op de afdeling communicatie van het eilandbestuur te horen dat voor ons, bewoners, het blad alleen online le lezen is en dat we voor gedrukte exemplaren in (overzees) Nederland moeten zijn. Hoe dat zo? Geldgebrek, mompelde een medewerker, waarna een collega mij vereerde met een unieke versie uit de printer. 

Reden te meer om er nog eens goed voor te gaan zitten. Op meer dan de helft van al het fullcolourfotomateriaal prijken gezaghebber Edison Rijna en/of de gedeputeerden James Kroon, Nina den Heyer en Elvis Tjin Asjoe. Met als topper minister Cora van Nieuwenhuizen-Wijbenga hand in hand met Rijna en Tjin Asjoe èn een fysiek exemplaar van Bon Bini Bonaire voor zich op tafel. 

Wat de content betreft vliegt Rijna je bijna op elke pagina in het gezicht, althans via een van de betrokken copywriters, die overigens geen van alle bij name in het blad te vinden zijn. Dit laatste deed me denken aan de botsing van het bestuurscollege met de oppositie in de eilandsraad, die in september van het afgelopen jaar gewaagde van ‘omkoping van de pers’, toen ze had ontdekt dat het college van plan was twee notoire ‘broodjournalisten’ in te huren.

De stijl waarin het blad is volgeschreven houdt het midden tussen voorlichting en reclame, met journalistiek als een vaag referentiekader.  Alles is erop gericht de bestuurders te doen schitteren: kijk ons eens goed bezig zijn! Je hoeft slechts de koppen te volgen van Rijna’s Voorwoord Het nieuwe beter via elektrisch vliegen, frontrunner van de regio en dikke voldoende tot Alles is mogelijk. Zelfs in het onderdeel Opinie steekt het viertal weer de kop op, met een pavlovreactie op een recent beleidsplan uit Den Haag. Gebakken lucht is de schering, ketelmuziek de inslag. 

Met andere woorden: Bon Bini Bonaire is het visitekaartje van Bonaire BV. Daar loop je niet mee te koop, dat druk je discreet bepaalde mensen in de hand en die gaan echt niet kijken, of het allemaal wel klopt, en begrijpen best dat je bij voorkeur met een wijde boog om je werkelijke problemen heen loopt. Neem het voorbeeld van de algenprofessor Wijffels uit Wageningen, die in dit nummer opnieuw op een voetstuk wordt gezet. Leuk toch, je dromen waarmaken? Zo’n man doet je gewoon vergeten dat het veelbelovende Rural Development Program 2014-18 met zijn 40 projecten (POP Bonaire) zojuist spoorloos de mist is ingegaan.

Ik zou niet mekkeren over een visitekaartje, als het bestuur zijn eigen site goed op orde had en hield en als er sprake was van een politieke oppositie die tenminste de nodige controle uitvoert en van een door onafhankelijke media gevoede publieke opinie. Maar daar lijkt het in de  verste verte niet op. Integendeel, het bestuur meent dit varkentje al gewassen te hebben. Het heeft immers 1 september uitgeroepen tot Dag van de Pers. En het afgelopen jaar verklaarde de gezaghebber nog namens het héle bestuur dat een scherpe en vrije pers een van de hoekstenen is van onze democratie, maar dat media ook een belangrijke rol vervullen in het uitdragen van het beleid van de overheid. De klepel is zoek, maar dat mag de pret niet drukken. 

Gil The Grid

In menig land waar de coronacrisis de afgelopen maanden was uitgebroken zijn stemmen opgegaan over de helende werking van kunst in tijden van beproeving. Deels om te zorgen dat politici die plotseling geld te veel hadden kunst en cultuur niet zouden overslaan, deels om kunstenaars aan te moedigen hun werk op de een of andere manier voort te zetten. Zo ontstond in Nederland bijvoorbeeld het idee van troosttv. 

In deze uithoek van het Koninkrijk kunnen we ook best wat troost gebruiken, want voor een lock-down of quarantaine meer of minder draait men hier zijn hand niet om. Maar de pakketjes die ons van de Overkant bereikten blonken vooral uit in zelfbeklag en chauvinisme, dus verveelden al gauw.  Eigenlijk heb ik me maar één keer wezenlijk getroost gevoeld. Zonder een expliciete verwijzing van de betrokkenen naar de crisis. Ik moet, hoe dan ook, dat verband zelf hebben gelegd. 

Het was een zondag en ik probeerde nog even, voor het avondeten, iets op te vangen van Mondo, een nieuw televisieprogramma over kunst dat dit seizoen ook op BVN te zien was en vooral in literaire kring de wind van voren had gekregen. De gehekelde presentator had voor het eerst een ‘gastcurator’ aangetrokken, de acteur Hans Kesting, om de andere gasten te kiezen. Voor mij onbekende namen…

Zijn tweede gast was Gil Gomes Leal, danser. Een rijzige gestalte in een lichtgrijze lange jas, strakke broek en hoge schoenen in dezelfde tint en een grasgroen ondershirt. Kort blond kroeshaar, een wijd open gezicht met slechts enkele piercings, maar wel in de oorlellen geklonken ringen waar je doorheen kon kijken. Hij beaamde – in het Nederlands met, af en toe, een Rotterdams accent – wat zijn twee toeschouwers in de studio  over hem wisten te vertellen en lachte zijn zenuwen weg.

Ik was verkocht vanaf het allereerste moment. Hij kroop in mij en ik in hem. Hoe oud was ik destijds, zes of zeven? Ik zou ook danser worden, naar het voorbeeld van een grote vrouw met  zwart haar en een gulle mond die soleerde bij het Scapino Ballet. Mijn broertje en ik zaten bij haar op gymles en we mochten, als bruidsjonker, quatre-mains spelen toen ze trouwde. 

Toen hij, de danser, ten slotte werd uitgenodigd te laten zien wat hij als ‘cadeautje’ speciaal voor Kesting had meegenomen, voelde ik zijn opluchting. Hij stond op, liep om de tafel heen en kromp vlak voor me op de kale vloer in elkaar. Een termietenheuvel op een Afrikaanse steppe, die bij het eerste getokkel van Ayub Ogada met zijn lied Kothbiro tot leven kwam. De herder die zijn vee opriep om voor zonsondergang terug te keren naar de veilige kraal. De dieren die het grazen staakten en aan zijn oproep gehoor gaven, een stofwolk achter zich latend. De warme geur van mest en houtskool kwam ons tegemoet. 

Dans en muziek vloeiden in elkaar over, als een harmonieus paar waarvan nu eens de een dan weer de ander de leiding neemt. Een beeldverhaal dat de woorden van de tekstdichter en de tonen van de componist kracht bijzette en ook op zichzelf een lust voor het oog. Bij vlagen viel de danser samen met de zanger, omdat hij de tekst in zijn mimiek meezong. Maar dat was zo ongeveer de laatste gedachte die bij me opkwam, want de tranen kwamen vanzelf en waren niet te stuiten. 

Natuurlijk wilde ik, naderhand, meer weten. In de loop der jaren wapen je je als gewoon mens tegen van alles en nog wat. Om niet te zeggen raak je behoorlijk afgestompt. Dus als een onbekende gast van nog geen dertig opeens en van heel ver weg daar dwars doorheen breekt, gebeurt er iets bijzonders.  

Het Rotterdams accent bleek te kloppen. Hij groeide op, als kind van Kaapverdische immigranten, in het Spangen van de jaren negentig. Dichtgespijkerde huizen, spuiten in het portiek en weinig gezelligheid op straat. Al vroeg, via hiphop en breakdance, in de ban geraakt van dansen als uitdrukkingsmiddel, maar thuis systematisch gedwarsboomd tot mishandeling aan toe. 

Een psychose van een week in 2013 zette hem op een ander spoor, maar pas nádat hij tijdens het kampioenschap van Juste Debout in Parijs de wereldtop had gehaald en daar, merkte hij, niet gelukkiger van werd. Zoals dansen hem eerder, als kind, had gered, zo zocht hij opnieuw – bewuster dan ooit – in die passie zijn toevlucht. 

Hij schoolde zich bij in Utrecht, richtte een eigen gezelschap op, Amenti, waarvan het afgelopen jaar de voorstelling Ayahuasca in première ging, en bereikte als Gil The Grid in 2017 via een golden ticket de finale van Holland’s Got Talent. Zijn ideeën over ‘de natuurlijke bewegingen’ van het menselijk lichaam in de ‘lagen’ aarde, water, vuur, lucht en licht draagt hij niet alleen uit als podiumkunstenaar, maar ook als coach en docent. Overal waar mensen dieper willen doordringen in de verwevenheid van lichaam en geest en de confrontatie met zichzelf aangaan.  

Eilandgevoel

Eilanden hebben altijd meer tot mijn verbeelding gesproken dan andere topografisch afgebakende delen van het aardoppervlak. Maar vraag me niet waarom, want het ene eiland is het andere niet en alleen al de namen roepen  zeer verschillende gevoelens bij me op. 

In ieder geval heb ik het niet van mijn ouders meegekregen. Die hadden nooit zwemles gehad en stonden al doodsangsten uit, als ze in de buurt van ‘het diepe’ kwamen. Ze waren wel dol op het strand van de Noordzee, waar we destijds minstens de helft van al onze zondagen hebben doorgebracht. Vermoedelijk hebben ze de zee altijd gewantrouwd, want toen ze het nodig achtten ons ook de weg naar het buitenland te wijzen, ging de reis vooral naar Duitsland en Oostenrijk. Daar kwam geen eiland aan te pas.  

Ondertussen moet ik me wel een beeld hebben gevormd van wat een eiland kon of moest zijn. Anders had ik nooit in die derde grotevakantie-op-eigen-benen het plan opgevat om naar het eind van de Balkan te liften, de grens tussen Europa en Azië over te steken en vanuit Turkije via ‘de Griekse eilanden’ de terugreis te aanvaarden. De weldadige stilte op een overschaduwd kiezelstrandje, met de eerste zonnestralen van de dag en een zee tot het eind van de wereld: dat werd die zomer de basis van mijn eilandgevoel

Hoofdzaak is dat het volledig door water omgeven is en niet zo maar wat  water. Het moet je als bezoeker moeite en tijd kosten om er aan te komen. Meestal is een brug of dijk al een domper op de feestvreugde. Dus een eiland in een rivier telt nauwelijks mee en in een meer vind ik het ook tamelijk nep, tenzij er geen oever meer te zien is. Eigenlijk is in mijn geval  zout water onmisbaar. En graag zó open en eindeloos dat je geen ander roesmiddel meer nodig hebt. Ten slotte is eveneens wenselijk dat je het in hooguit een dag helemaal rond kunt rijden, anders gaat het teveel op vasteland lijken.  

Een snelle blik op de eilanden die mij in mijn leven te beurt gevallen zijn,  leert me dat de overgrote meerderheid, in vijf continenten (Afrika, Azië, Oceanië, Noord- en Zuid-Amerika), van tropische aard was. Dus wat de aangename temperatuur en de overheersende kleuren betreft ben ik niet afgedwaald van mijn Griekse prototype. Integendeel, de hang naar warmte, rust en ruimte is duidelijk. Maar om een gemiddelde mens lichamelijk en geestelijk tevreden te stellen en te houden is meer nodig. 

Is het niet opvallend dat ik op al die eilanden, al kwam ik er meermaals, nooit langere tijd gebleven ben? Ik was altijd op vakantie, werkbezoek of doorreis en had een vaste verblijfplaats in een gewoon land, zonder ei. Zes weken Indonesië (zeven opeenvolgende eilanden) was waarschijnlijk een record. Tot voor kort. 

In oktober 2018 kwam ik op Bonaire wonen. Ik had het vanuit Suriname in de voorgaande jaren al drie keer bezocht, geleid door genoemd eilandgevoel. Vandaar dat ik meende te weten waar ik aan begon, toen ik na vier jaar concludeerde dat ik  switi kondre niet langer kon velen en een alternatief zocht binnen de regio. Ook besefte ik min of meer dat je als passant geen enkele samenleving goed leert kennen. Je ontmoet wel allerlei mensen, maar dat zijn slechts figuranten in een voor jou aantrekkelijk decor en het geheel blijft een ver-van-je-bed-show. 

Dus als je besluit van een bepaald eiland je verblijfplaats te maken, zeker wanneer het de eerste keer is, word je door schade en schande wijzer. Wat ik hoe dan ook heb onderschat is de overgang van een stedelijk leefmilieu naar een meer dorpse omgeving. Dat alles kleinschaliger zou zijn dan in Paramaribo, was in dit geval wel te voorzien. Maar dat het zó zou zijn: afstand bewaren van de Ander als ingebakken manier van doen, nota bene vóórdat corona plotseling iets heel anders betekende dan kroon of krans… 

Dat was (en is) geen dingetje. Al die mensen in hun superindividuele bubbel, familie, bedrijf, hobby of sekte, eigen haard is goud waard en – nog erger – eigen volk en eigen taal eerst, terwijl de rest van de wereld kan stikken. De eenkennigheid ten top en bovendien – hoe kan het anders – vergezeld van de grootst mogelijke geslotenheid. Geen wonder dat democratie hier ver te zoeken is, dat geen sprake is van publiek debat over wat dan ook en dat de arme burger geen flauw idee heeft van waar de machthebbers mee bezig zijn noch waar ze op aansturen. 

En de rijksoverheid vindt alles best, al moeten de betrokkenen vroeger thuis en op school iets heel anders hebben geleerd. Zorgen voor de juiste man op de juiste plaats met wie je zaken kunt doen, is het motto. Iemand die weet waar de doofpotten te vinden zijn en die garant staat voor rust in de tent. Gezaghebber Edison Rijna bijvoorbeeld, die deze week zijn slagvaardig optreden in de crisis beloond zag met een tweede termijn van zes jaar. 

Rest mij slechts de vraag, of het eilandgevoel dat ik zo lang gekoesterd heb nog wel houdbaar is in deze bijzondere leefomgeving. Waarschijnlijk is het van tweeën één: of dat gevoel aanpassen of het in ere houden en mijn biezen pakken. Maar je weet nooit hoe een koe een haas vangt.

Rattenvanger

Ratten vangen is tegenwoordig, zelfs in crisistijd, eerder een uitstervend dan een respectabel beroep. Maar rattenvangers die mensen lokken en hun een oor aannaaien, zijn van alle tijden en die weten vaak van geen ophouden.

Zo dook er het afgelopen jaar een op in Europees Nederland, Rutger Bregman (geb. 1988), die ging voor niet minder dan ‘een nieuwe geschiedenis van de mens’ en al gauw – dankzij een uitgekiende marketing – niet meer was weg te slaan uit de bestsellerslijsten. Maar nu hij begint te zakken, moet hij zeilen bijzetten. Vandaar dat deze maand één hoofdstuk uit zijn evangelie nog eens dunnetjes wordt overgedaan op de hippe Amsterdamse nieuwssite de Correspondent, waar hij verantwoordelijk is voor het thema Vooruitgang.

Zijn algehele boodschap is niet alleen blijmoedig – Bregman is van huis uit christen – maar ook gemakkelijk te bevatten. De titel van het boek, een letterlijk citaat uit 2012 van de toenmalige rijksombudsman, zegt het al: ‘De meeste mensen deugen.’ De schrijver vindt namelijk dat de geestelijke leiders van de wereld millennia lang de mensheid verkeerd hebben voorgelicht met hun nadruk op de zondigheid van de mens. De mens is, meent hij, van nature geneigd tot het goede en er is geen enkel bewijs dat mensen elkaar vroeger ook al de hersens insloegen. Pas toen ze een slordige tien duizend jaar geleden ergens waren gaan wonen en het privébezit was uitgevonden, ging het mis en ontwikkelden ze een verkeerd zelfbeeld, dat ons nog altijd parten speelt. Als we daar nu met z’n allen van afstappen, ligt een nieuwe wereld voor ons klaar.  

Deze boodschap staat ook centraal in het kliekje dat de Correspondent voor ons heeft opgewarmd. “Bij wijze van goed nieuws”, aldus de redactie, “nu 1,5 miljard kinderen thuis zitten en ouders worstelen met het organiseren en plannen van school- en speeltijd”. 

Onder de kop ‘Geef ze de ruimte om te spelen’ wordt de toon gezet met een verwijzing naar ‘de immense vrijheid die jonge mensen kregen toen ze nog jagers en verzamelaars waren’. Met slechts één bron: een artikel van Peter Gray in het American Journal of Play (2009). En wat voor bron! 

“Nomaden hebben zelden het idee dat ze de ontwikkeling van hun kinderen kunnen sturen, dus mag hun kroost de hele dag spelen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat”. Alsof Rousseau zelf aan het woord is. Of wist die destijds al meer van nomaden dan genoemd duo nu? 

Zo gaat het stuk verder, teneinde ons er definitief van te overtuigen dat een kind best spelenderwijs zijn weg op aarde kan vinden en daarbij zo min mogelijk gestoord moet worden. Tot en met Bregmans kennismaking met het pedagogisch experiment Agora in Roermond, waar in 2014 de muren tussen middelbare schooltypes van vmbo tot gymnasium werden neergehaald. Hij noemt dat – zonder zweem van ironie – ‘een reis naar het begin: de onderwijsfilosofie van Agora is die van de jagers en verzamelaars’. 

Heus, ik gun elke millennial de nodige zelfoverschatting en als die zich wil afzetten tegen zijn vader of opa, het zij zo. Maar je moet me geen knollen voor citroenen verkopen. Zogenaamd ‘de feiten’ voor zich laten spreken, terwijl je niets anders doet dan feiten manipuleren en naar je hand zetten. (Zoals iedereen die iets onder woorden brengt.)  Of iets ‘een nieuwe geschiedenis’ noemen, dat niet meer voorstelt dan capita selecta om een vooraf bedacht standpunt kracht bij te zetten.  

In het oorspronkelijk hoofdstuk, waar de tekst in de Correspondent op gebaseerd is (14: Homo ludens), is sprake van 44 bronnen waarvan slechts een handvol uit de jaren vóór 2000.  En deze eenkennigheid staat niet op zich. Als ergens in het boek relevante verwijzingen naar de vaderlandse geschiedenis op hun plaats waren geweest, is het wel hier. Maar Bregman  slaagt er zelfs in zoiets als het Amsterdams anarchisme in de jaren zestig van de afgelopen eeuw (van provo’s tot kabouters) en het hele vrijeschoolonderwijs van de antroposofie over het hoofd te zien.

Maar wie weet was van meet af aan slechts de bedoeling het boek te positioneren in de internationale markt. Dan kun je heel wat steken laten vallen, zonder de boot in te gaan. Als de branding maar deugt. 

Godsgeschenk

De premier van het Koninkrijk, die naar aanleiding van Pasen een kaarsje opstak in een kerk in Den Haag. Nooit gemerkt dat hij iets met godsdienst te schaften had. Integendeel, onlangs citeerde de Amigoe nog een Antilliaanse student, die tot zijn verbazing had geconstateerd dat Rutte in zijn toespraken over de coronacrisis nooit van God gewaagde.

Lees artikel